ASSCHENBERGHSE VERTELSELS

Van de Amsterdamse dichter en toneelschrijver Harmanus Asschenbergh (1726-1792) werd een bundel gedichten een jaar na zijn dood gepubliceerd door zijn vriend, de uitgever-boekverkoper Pieter Uylenbroek. De gedichten onderscheiden zich van die van zijn kunstvrienden doordat er nogal wat humoristische verzen onder te vinden zijn. Zijn Vertelsels en puntdichten werden in 1869 heruitgegeven (Rotterdam, Altmann). "Asschenbergh kom je niet tegen in bloemlezingen nonsens-poëzie maar ook niet in keuzes uit doodspoëzie. In beide bloemlezingen behoort hij te staan. [...] Het wordt tijd voor een Hermanus Asschenbergh Revival." (Boudewijn Buch, Literair Omreizen, 1983 p 95). Enkele gedichten werden door Gerrit Komrij opgenomen in De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten (Amsterdam, Bert Bakker, 1986 p 1057-1061). De volgende selectie komt uit Harmanus Asschenberghs Poëzy (Amsterdam, Pieter Johannes Uylenbroek, 1793).

Een ongelukkige scheet

In de Mengel-moes gedichten van Henrick Bruno (1666) staan enkele boertige rijmen maar deze verzen 'Op een ongeluckige scheet, by een joffrouw gelaeten' vind ik toch speels (ingekort en aangepast):

Terwijl wij hand in hand wat wandelden en zongen,

Is mij een ongeluk van achteren ontsprongen.

Ik hoop dat gij mij daarom niet wraakt noch laakt,

Indien ge van een scheet geen donderslag maakt.

Stoor u niet aan mijn scheet, dat kon u ook gebeuren.

Hij was er al eer ik het wist, hij was er zo uit.

Ik weet wel dat mijn poort niet zo goed sluit.

Ik ga gelijk als gij altijd met open deuren.

 

 

Ook lichtvoetig maar niet zo grappig is 'Als ick in compagnie van Juffrouw E.V.S. een onverhoets van achteren springen liet' van Pieter de Neyn (Vrolyke uuren, 1681)