De Slijpsteen van het Verstand.

Waarmee door verscheidene fraaie uiteenzettingen,

wijze antwoorden, redenen en gezegden

het verstand van de lezer aangescherpt wordt.

Bijeengegaard en in orde gesteld door R.V.

Te Antwerpen, bij Willem Lesteens

in de Hoogstraat, in de Gulden Pelikaan.

Anno 1620.

Met gratie en privilege

Aan de Edele, Eerwaardige, Wijze en zeer Vooruitziende Heren

Mijne Heren Schouten, Burgemeesters, Schepenen,

en Raad der Stad Mechelen[1]

 

Aangezien dat de natuurlijke neiging van onze affecties gewoonlijk ontspannen wordt met variëteit, en dat scherpzinnige concepten en woordenwisselingen (die door slechte, idiote verstanden niet méér geacht zijn dan de rozen door de varkens) door  verstandigen te begrijpen en beoordelen zijn als zeer aangenaam en dienend tot ontspanning: zo heb ik mij voorgenomen, hetgeen (deze materie aangaand) ik door lezen en lange observaties bijeengegaard heb, nu op te dragen aan u eerwaardigen, de Edele, Wijze en zeer eerwaardige Magistraten van de Provinciale Stad van Mechelen: een stad niet groot in omvang maar groot in Eer en Achtbaarheid, waar de voornaamste Zetels gevestigd zijn, zowel aangaande de geestelijke stoel van deze Landen als de Justitie, in welke twee zaken van groot belang, deze schone Stad alle andere Nederlandse steden te boven gaat. Ik hoop dat mijn arbeid hierin uitgeoefend aangenaam zal zijn aan mijn Eerwaardige Heren die ik in al mijn beste verplichtingen altijd zal zoeken te dienen en te eren.

Hiermee groet ik u, uit Antwerpen de eerste januari 1620.

 

De zeer dienstwillige dienaar van Uwe Edelen.

Richardus Versteganus

 

 

Aan de goedwillige Lezer

 

De oorzaak, beminde Lezer, dat ik dit boekske genoemd heb De Slijpsteen van het Verstand, is omdat het vele excellente voorbeelden van het verstand toont, door dewelke men leren mag met wijsheid en wetenschap op veel verscheidene voorstellen en vragen te antwoorden, ja toevallig ook te beschimpen zonder schandaal, te berispen zonder verwijten, genoeglijk te spreken zonder onzuiverheid, en ook soms de wijze waarheid met koddige kluchten of kunstige bedektheid verstaan te geven, kortom te  spreken op een verstandige en loffelijke manier, waarvan geen klachten of processen van belediging zouden kunnen rijzen. Met deze aanwijzingen tot reden, deugd en degelijkheid voor ogen, mag eenieder trachten zijn woorden ook te temperen met dusdanige smakelijke wetenschap, waardoor zij meer effect zullen hebben, en men meer eer en achtbaarheid zal behouden dan wanneer men zijn woorden gelijk de ongeschikte botte hoop zou uitbulderen.  Deze raad en navolging geobserveerd hebbend, zo mag het bot en ongeschikt spreken alleen blijven onder degenen die niet streven naar de reputatie van discretie, maar door hun plompe onachtzaamheid en onbeleefde educatie niet weten wat de deugd en eerbaarheid (die de civiele conversaties aanbelangen) inhoudt, en niet kunnen bemerken dat het waardig is om deze na te streven. Doet gij dan hiermee (beminde Lezer) uw profijt en vaart wel.

 

R.V.




[1] De teksten werden ‘vertaald’ in moderner Nederlands met grotendeels behoud van de stijl en het archaisch woordgebruik; ook werden leestekens ingevoerd en te lange zinnen verknipt om de leesbaarheid te vergroten. De grappen hebben we ook genummerd. Voor de originele tekst zie: http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/VerstegenWetsteen1620.html 

De inhoud van de verscheidene materies in dit boek begrepen

 

  1.     Van enige zaken aangaande geloof, religie en geestelijke personen

  2.     Van zaken aangaande de justitie en de rechtvaardigheid

  3.     Van de deugd, de wijsheid en de geleerdheid

  4.     Van voorzichtigheid en sluwheid

  5.     Van adel en rijkdom

  6.     Antwoorden, woordenwisselingen en subtiele schertsen

  7.     Van goede en kwade vrouwen, en van te zeer curieuse vrouwen

  8.     Van eer en vrijgevigheid

  9.     Van vrekken en gierigheid

10.     Van verliefden, vrijages en huwelijken

11.     Van zieke mensen en doctoren in de medicijnen

12.     Van advocaten en processen

13.     Van ruzies, beledigingen en weerwraak

14.     Van poëten en schilders

15.     Van calvinistische predikanten of dienaren van het woord

16.     Van soldaten, vroomheid en lafheid

17.     Van achterdocht, jaloezie en dergelijke

18.     Van dieven, leugenaars, oplichters en bedriegers

19.     Van kansspelers

20.     Van dronkaards

21.     Van dwaze en zotte mensen

22.     Van halve zotten en domoren

23.     Van gestalten van het lichaam

24.     Van dienstboden, jongeren en kinderen

25.     Van de ouderdom en van de dood en sterven

 

 

Tot de goedwillige lezer, op de inhoud van dit boek

 

De Wetsteen van het verstand

Verstaat de zin,

In korte woorden

Houdt veel wijsheid in

 

Op veel uiteenzettingen

Zijn de antwoorden kloek,

Bijeen gebracht

In dit scherpzinnig boek

 

Waaruit men mag

Subtiele gezegden halen,

Om botte schulden

Daarmee te betalen

 

En kunstig steken

Geven zonder schaden,

Het onredelijke

Tot reden te beraden

 

Neemt dit in dank

Het komt uit goede hand,

Weet dat het vermaakt

Daarmede uw verstand

 


 

1.  Van enige zaken aangaande het geloof en de religie

(1) Een katholiek persoon reizende in Duitsland is toevallig in het gezelschap gekomen van een Hussiet, van een Martinist of Lutheraan, van een herdoper of Mennoniet en van een geus of Calvinist.[1] Toen zij bevonden dat hij katholiek was zei de Hussiet dat hij de verdorven Roomse Kerk verlaten moest en zich voegen bij hen die door de heilige martelaar Johannes Hus van de gereformeerde religie waren. Nee, zei de Martinist, het ware beter dat gij u bij ons voegt die van de religie zijn, die gereformeerd is geweest naar het louter woord door de dierbare man Gods doctor Martin Luther. Nee, zei de Herdoper, het ware beter dat gij u voegt bij ons die van de gereformeerde Doop zijn. Nee, zei de Calvinist, het ware beter dat gij u voegt bij ons die van de oprecht gereformeerde religie zijn. Zijn daar vier gereformeerde religies, vroeg de katholiek, of maar één? Nee, zeiden ze allen tegelijk, daar is er maar één. Is er maar één, zei de katholiek, zo moet gij alle vier bekennen dat er onder u vier drie leugenaars zijn. En daarom zou ik graag weten, hoe ik weten mag wie van u vier de echte gereformeerde religie heeft. Dat zult gij moeten weten uit de Heilige Schrift, zeiden zij. Hoe, zei de katholiek, wilt gij mij ertoe aanzetten om in de Schrift te gaan zoeken hetgeen drie van u vier daarin niet vinden kunnen. Die moeite zal ik me zeker besparen en veroorloof me om naast de drie ook de vierde voor een leugenaar te houden.

(2) Iemand van gereformeerde gezindheid klaagde bij zijn kennis, die ook geus en zeer standvastig was, dat hij een kozijn had die geneigd was tot de Papisten[2], met de aandrang dat hij toch zijn best zou doen om hem tot hun gereformeerde religie te bekeren. Hij beloofde hem dit te doen. Enige tijd daarna is hij bij deze standvastige kameraad gekomen en vroeg hem of hij wat in deze zaak gedaan had en daarin goede hoop had. Hij antwoordde: ik heb daar wat in gedaan en hebt goede moed, alles zal wel zijn. Och dat is mij lief om horen zei de andere, maar zeg mij toch waaruit gij kon bemerken dat alles wel zal zijn. Ik heb uw kozijn, zei de standvastige kameraad, vrijdag laatstleden in een herberg gehad en daar heb ik hem heel fijn gemaakt en van een goede hesp doen eten.[3] En zo moogt gij uw rekening maken dat hij reeds half bekeerd is. Hierom was de andere blij en bedankte hem zeer omdat hij met zo een treffelijk middel hem daartoe gebracht had.

(3) Twee Kapucijnen in de winter op reis in Frankrijk met de blote benen door de koude sneew ontmoetten een edelman te paard. De edelman vroeg de Kapucijnen waarom ze zulke strengheid toepasten. Ze antwoordden dat zij dat deden om de pijn van de hel te ervaren. Maar neem, zei de edelman, dat er geen hel is. Is er geen hel, zeiden de Kapucijnen, zo hebben wij dan maar een weinig arbeid verloren. Maar is er een hel, hoe zal het met u gaan die daarvan geen vrees schijnt te hebben?[4]

(4) Een grote Heer in Spanje heeft de wereld verlaten en is religieus geworden, toen enige hoofse vrouwen ter plaatse gekomen zijn om hem te bezoeken. Ze verwonderden zich dat een zo grote Heer als hij de wereld verlaten heeft omdat hij toch met zo grote eer en plezier geleefd had. ’t Is waar Mevrouwen, antwoordde hij, ik heb de fijnste bloem van mijn tijd op de wereld besteed en daarom is het ook wel nodig dat ik nu ten minste de zemelen aan God zou geven.

(5) In een klooster waren twee monniken van verschillende gesteldheid; de ene was zeer vet en de andere zeer mager. Nochtans waren zij allebei devoot en deugdzaam. Een edelman die op een tijd bij de Prior kwam en deze twee monniken zag, heeft aan de Prior gevraagd hoe het komen mocht dat de ene van deze monniken zo zeer vet was en de andere integendeel zo zeer mager. Ik zal u zeggen Mijnheer, zei de Prior, de ene mediteert op de blijdschap van de hemel en de andere op de pijn van de hel.

(6) Een priester in Spanje deed grote arbeid om een Moor[5] tot het christelijk geloof te overtuigen. Maar toen de Moor daar niet veel scheen naar te luisteren, zei de priester dat hij halvelings dacht dat zijn woorden bij de Moor het ene oor in en het andere weer uit gingen. Zo is het niet, zei de Moor, want ze komen er niet in en kunnen daarom er niet uitgaan.

 



[1] Als katholiek in de Zuidelijke Nederlanden stelde Verstegen zich fel op tegen de gereformeerden of protestanten: hier respectievelijk aanhangers van Johannes Hus, Martin Luther, de doopsgezinde Menno Simons en Johannes Calvijn.

[2] Pausgezind, paaps, roomskatholiek.

[3] Destijds gold voor katholieken het verbod om op vrijdag vlees te eten. Het protestantisme kende dergelijke vastenregels niet.

[4] De geloofsregel was: wie de hel niet vreest zal juist zonden begaan en daardoor in de hel terechtkomen!

[5] Moor is de benaming voor de islamitische bevolking van het middeleeuwse Spanje.

(7) Een Hollandse jonge knaap, die een schilder was, kwam in Lyon in Frankrijk op weg naar Italië in een kerk op een zondag voormiddag terwijl men daar de dienst deed. En daar ging hij over en weer kijken op de taferelen en schilderijen zonder enige buiging of acht te geven op de dienst. Toen de dienst gedaan was kwamen enigen die hem bemerkt hadden bij hem en vroegen hem van welke religie hij was. Ik ben een schilder, zei hij. Wat denkt gij, zeiden zij, dat daar geschilderd staat (ze wezen naar een tafereel): gelooft gij ook dat de Joden Onze Lieve Heer alzo toegetakeld hebben en dat hij zulks voor onze arme zondaren vrijwillig geleden heeft? Ach  ja, antwoordde hij. Toen brachten ze hem aan een ander tafereel en vroegen hem de betekenis van hetgeen daarop geschilderd stond en vroegen hem of hij dat ook geloofde. Hij zei ja. Toen gingen zij nog voort op dezelfde manier met de vraag of hij geloofde wat daar afgebeeld stond. En hij antwoordde steeds ja. Toen zij dit gevraagd hadden en het laat geworden was verlangde hij van hun, als daar nog iets meer te geloven was dat zij het hem dan terstonds vragen zouden opdat hij het ook straks geloven mocht, want het was etenstijd en men verwachtte hem in zijn logies.

(8) Een Schot reizende in Italië, door enige aanleiding die hij gaf, werd gevraagd van welke religie hij was. Ik zal het u zeggen, antwoordde hij: ik ben rauw in de wereld gekomen en ik verlang deze niet gebraden te verlaten.[1]

(9) Een Schotse dienaar van het calvinistische woord Gods[2] kwam te argumenteren met een Engelse dienaar van hetzelfde woord aangaande de reformatie van hun twee kerken. De Schotse woorddienaar zei dat ze in Engeland halve papisten waren omdat ze daar de kerken hadden laten staan, maar dat ze in Schotland volkomen gereformeerd waren omdat ze al hun kerken neergegooid hadden.

(10) Een boer in Holland was in gesprek met zijn goede vriend over de predestinatie[3] en zei dat het hem zeer verwonderde dat er zo’n grote verandering in de predestinatie kon geschieden. Hij had nog de tijd gekend dat schoenmakers, kleermakers, wevers en dergelijke gepredestineerd waren om gereformeerde dienaren van het woord te zijn en nu niet meer omdat men meer bekwame personen daartoe kon vinden dan ooit tevoren. Da’s waar, antwoordde zijn goede vriend, zo placht dat hier eertijds te zijn. Ik weet nog toen onze gereformeerde religie eerst begon, hoorde ik zeggen dat er vier treffelijke predikanten waren die voor lichaam en ziel van de mensen zeer nuttig waren en dit van het hoofd tot aan de voeten. Want de eerste was een hoedenmaker, de tweede een kleermaker, de derde een kousenmaker en de vierde een schoenmaker. Die laatste heb ik gekend, hij wordt Jasper vander Heyden genoemd,[4] en was zo een kloeke predikant dat ik hoop dat hij nu schoenen maakt voor onze lieve Heer in de hemel.

(11) Heel onlangs kwam een boer half dronken in een herberg in een dorp in Holland. Daar begon hij heftig te spreken tegen de Arminianen[5] aangaande de vrije wil en de predestinatie. Toen hij iemand aan tafel die hem tegensprak zeer verweet, nam deze zijn mes en wilde de boer een snede in zijn kaak geven. Maar de boer trok snel zijn hoofd terug en kreeg de snee op zijn borst door zijn bovenkleed en hemd tot aan de ribben toe. Had gij mij niet zo gekwetst, zei hij die de snede gaf, dan waart gij niet gepredestineerd geweest om die snede te krijgen. Ik was, zei de boer, nooit gepredestineerd geweest om die snede in de kaak te hebben. Is het niet op de kaak, zei de andere, ik geloof dat gij wel voelt alsof het op de kaak was en dat is mij genoeg.

(12) Een geus gereformeerde overtuigde een katholiek om van zijn gereformeerde religie te zijn, zeggende dat het de beste religie van de wereld was. ’t Is waar, zei de katholiek, ’t is toch de beste wereldse religie die men vinden kan, maar al is het de beste religie om in te leven, het is ook de slechtste om in te sterven. Waarom, zei de andere, is het zo slecht om in te sterven? Omdat ze zo goed is om in te leven, antwoordde wederom de katholiek.

 



[1] Wie destijds niet het ‘juiste’ geloof had eindigde vaak op de brandstapel!

[2] Predikant of dominee.

[3] Predestinatie of voorbeschikking, in religieuze zin: de door God bepaalde bestemming van ieder mens.

[4] Gaspar van der Heyden (1530-1586), ex-schoenmaker en fervent Calvinistisch predikant

[5] Arminianen (rekkelijken, remonstranten) waren aanhangers van de protestantse godgeleerde Jacobus Arminius die volgens critici te vrij (‘rekkelijk’) omging met het begrip predestinatie.  Anders dan zijn Leidse collega-hoogleraar Franciscus Gomarus was Arminius van mening dat God niet al bij de geboorte had bepaald of een schepsel naar de hemel of hel zou gaan. Gomarus (met zijn aanhangers, de gomaristen, contraremonstranten of ‘preciezen’) was het daar niet mee eens.

2.     Van zaken aangaande de justitie en de rechtvaardigheid

(13) Toen keizer Karel de Vijfde zijn intrede deed in de stad Toledo in Spanje deed hij zijn eed naar gebruik van dezelfde plaats met behoud van alle oude privilegies van de burgers. Toen hij nu de eed gedaan had en de officiële stadsnotaris dit had geregistreerd, heeft deze notaris tot de keizer gezegd: zo het uwe Majesteit belieft te voldoen aan wat gij hier gezworen hebt, zo bid ik God dat hij u zijne zegen geve; en indien gij dit niet doet dan bid ik God dat hij uw hart bewegen mag om dat te doen en u niettemin zijn zegen te geven.

(14) In de tijd dat de eerbiedwaardige Thomas Morus kanselier van Engeland was, had een arme weduwe een proces tegen een rijke vrek die poogde haar te frauderen van een som geld dat haar van rechtswege toekwam. Maar hij werd veroordeeld om de weduwe te betalen en toen hij zag dat hij veroordeeld was maakte hij veel kabaal alsof hem veel onrecht was geschied. Hij zei tot de kanselier dat, aangezien hij het geld betalen moest, hij een goede lange dag van betaling moest hebben. Dat zal u graag gegund worden, zei de kanselier. Volgende maandag is de dag van Sint-Barnabas en dat is de langste dag van het hele jaar en die zult gij hebben voor uw dag van betaling. Maar indien gij dat geld dan ook niet betaalt zal men u zeker doen executeren.

(15) Een man met een rode baard was gevangen gezet wegens verdacht te zijn van een slecht feit. Omdat de rechter aanwijzingen had liet hij hem geselen, waarna het duidelijk werd dat deze persoon onschuldig was. Hij heeft wel het feit niet bedreven, zei de rechter, dan mag hij denken dat hij gegeseld is geweest omdat hij een rode baard heeft.

(16) Een smid in een zeker dorp had een man doodgestoken en werd daarom gevangen gezet. Toen kwamen bijna alle boeren van het dorp om voor hem te bidden dat hij niet sterven mocht erop wijzende dat er dan geen smid meer in het dorp was en ook niet in de dorpen daaromheen. En dat hij een zeer goede werkman was om de mensen van alles te gerieven en ze dus een zeer groot gebrek zouden lijden als ze hem moesten missen. De rechter die dit aanhoorde zei: maar goede mannen wat wilt gij dat ik doe, er is een man doodgestoken en daar moet immers gerechtigheid geschieden. Wel mijn Heer, zeiden de boer, als het immers zo zijn moet weten wij raad: omdat wij in ons dorp twee wevers hebben en er één genoeg is, zo mag mijn Heer een van de wevers laten hangen en de smid sparen.

(17) Een burger had takkenbossen gekocht van een boer en de boer had de takkenbossen voor de deur van de burger gebracht. Toen zei de boer dat hij de takkenbossen niet lossen wilde tenzij hij meer kreeg dan bij de koop overeengekomen was. Wel, zei de burger, gooi de takkenbossen daar maar want het zal wat meer zijn dan de koop. Toen zij gelost waren verlangde de burger dat de boer de takkenbossen in de kelder zou helpen dragen. De boer was tevreden in de hoop meer te krijgen dan de koop was. Toen de takkenbossen in de kelder waren, gaf de burger juist zoveel geld als hij de takkenbossen gekocht had. Toen zei de boer dat hij gezegd had dat er meer zou zijn dan de koop. ’t Is waar, zei de burger, en zo is ook geschied want ik meende dat gij meer arbeid zou doen maar niet meer geld van mij betaald zou worden. En met dit antwoord moest de boer doorgaan want meer kon hij niet krijgen.

(18) Een kapitein die christen was had de stad van Rhodes[1] verraden aan de Turk op voorwaarde dat hij de dochter van de Turk ten huwelijk zou hebben. Nadat de stad geplunderd was verlangde hij zijn beloning. De Turk heeft hem geantwoord dat hij zijn dochter zou hebben maar omdat zij niet huwen mocht met een gedoopt vel wilde hij hem zijn vel doen afstropen. Daarna kon hij een nieuw vel krijgen en zou hij ze dan hebben. De Turk liet hem villen en zo kreeg hij zijn terecht loon.

 


[1] Mogelijk wordt hier het beleg van het eiland Rhodos bedoeld, in 1522: na uitputtende gevechten en bijzondere onderhandelingen gaven de katholieke hospitaalridders zich over aan de Turken.

3. Van de deugd, de wijsheid en de geleerdheid

(19) Een koning van Frankrijk die zich voorbereidde op een gevecht, werd door een van zijn heren verwittigd dat men op zijn aangezicht gemerkt had dat hij wat schrik had. Wie zonder vrees is, zei de koning, die is ook zonder deugd en hij zondigt door hoogmoed.

(20) Een Italiaanse kapitein die in de Nederlandse oorlog diende, zag het lont aansteken van een dubbel kanon op de vijand en viel terstond plat op de aarde. Toen enigen daarvan iets wilden zeggen gaf hij hen als antwoord, dat degenen die dat niet vrezen ook God niet vrezen en zij die God niet vrezen die hebben ook geen deugd.

(21) Een graaf van Warwick vroeg aan koning Hendrik de zesde van Engeland waarom dat zijne majesteit zo slechte klederen droeg. De koning antwoordde dat een koning de meerdere van zijn onderdanen moet zijn in deugd meer dan in kostelijkheid van klederen.

(22) Toen iemand met zijn goede vriend ging wandelen zag hij een persoon voorbijkomen die kreupel en zeer mismaakt was en die zijn vriend zeer beleefd groette. Toen vroeg hij aan zijn vriend of die kreupele vent zo veel groetenswaard was. Ja, zei zijn vriend, en veel meer ook want hij is een zeer excellente poëet en hij zit vol andere deugden. Toen zei deze persoon dat het zeer jammer was dat zulk een volkomen geest mocht huishouden in zulke onvolmaakte woning.

(23) Een Spaanse doctor in de theologie, Mattheus genaamd, was zeer klein van persoon. Toen hij eens in het gezelschap was van andere geleerde mannen, was daar een die hem voor de grap Minimus Apostolorum noemde in de mening dat hij het niet hoorde. Maar hij hoorde het en zei daarop terstond dat Matheus nochtans Maximus Apostolorum was omdat hij het meeste evangelie geschreven had.

(24) Iemand vroeg aan een zeer verstandig en ervaren man wat hij doen moest om wijsheid te krijgen. In waarheid mijn vriend, antwoordde de andere, ik kan u zeer moeilijk hierin raadgeven want gij gaat steeds de ene weg en de wijsheid gaat de andere weg, en zo komt gij elkaar geenszins tegemoet.

(25) Enigen discussieerden over de zotheid van enige zotten. Iemand van het gezelschap zei dat een zot meer voordeel doet aan een wijze man dan een wijze man aan een zot kan doen, want de zotheid van een zot is een vermaning voor de wijze man maar een zot kan de wijsheid van een wijze man niet begrijpen.

(26) In het hof van Engeland in de tijd van koning Hendrik de zevende heeft een edelman, die niet een van de wijste was, aan de koning zeer de wijsheid geprezen van een persoon die toen afwezig was aan het hof, zeggende dat hij waarachtig een zeer wijs man was. Daarin verwonder ik me niet, zei de koning, want dat mag wel zo zijn maar ik verwonder mij hoe een zot een wijze man kan kennen.

(27) Iemand wilde beweren dat de mensen heden ten dage veel wijzer zijn dan zij eertijds plachten te zijn en zijn reden om dat te proberen was dat de mensen eertijds geen kwaad konden remediëren dan met goed en nu kunnen ze kwaad met kwaad remediëren.

(28) Een edelman die zeer geneigd was tot boeken en studeren was in gezelschap van vrouwen en mannen die veel praat hadden. Toen ze zagen dat hij niet veel met hen praatte zeiden enigen schamper dat hij liever met de neus in de boeken zou zitten dan daar in het gezelschap. ’t Is waar, zei hij, en dat is omdat ik uit de boeken wijzere uiteenzettingen kan rapen dan uit dit gezelschap.

(29) Een grote doctor overlegde met twee of drie andere geleerde en wijze mannen over enige punten van de filosofie. Iemand die mee in het gezelschap was en het allemaal aanhoorde zei tenslotte tot de doctor dat hij niet één woord van zijn uiteenzetting verstond. Dat kan wel wezen, antwoordde de doctor, want lege vaten zinken nooit tot aan de grond.

(30) Alonso, koning van Aragon, placht te zeggen dat er vijf oude dingen waren die hem wel aanstonden, te weten oud hout om te branden, een oud paard om gemakkelijk op te rijden, wijn van een jaar oud, oude vrienden en oude boeken.

Van oude boeken schrijft een oude poëet aldus:

Uit d’oude velden alle jaar,

Wij krijgen al ons nieuwe graan.

Uit oude boeken ook voorwaar,

Wij al ons nieuwe kunst verstaan.

 

 

4. Van voorzichtigheid en sluwheid

(31) Paus Adrianus de zesde was van zin om Pasquinus[1] te Rome in de Tiber te doen werpen om daarmee, zo meende hij, de gelegenheid te ontnemen om daar vele onrustwekkende schotschriften rond te strooien. Toen de hertog van Sesa dit hoorde is hij bij de paus gegaan en zei: ik heb gehoord van de intentie van uwe heiligheid om Pasquinus in de Tiber te doen werpen, maar mij dunkt dat men dat uit voorzichtigheid niet moet doen uit vrees dat hij in het water mocht veranderen in een kikker en daar dag en nacht liggen kwaken.

(32) Een reizende man kwam in een herberg waar veel gasten waren en kreeg zijn plaats (omdat hij slechte klederen aan had) aan het laagste einde van de tafel. Het was visdag en degene die de tafel bediende zette altijd de schotels met de grootste en schoonste vis aan het bovenste einde en de schotels met de kleinste en slechtste vis aan het laagste einde. Toen de passant bemerkte dat de grote schotels niet tot bij hem kwamen nam hij een spiering[2] in de hand, hield die voor zijn mond en deed of hij daartegen sprak. Dan hield hij de spiering aan zijn oor alsof hij daar het antwoord van de spiering wilde horen op hetgeen hij de spiering gevraagd had. Toen hij daarmee bezig was werd dit opgemerkt door de rest die aan de tafel zaten en hem vroegen wat voor gesprek hij daar hield met de spiering. Och, antwoordde hij, mijn vader is verdronken geweest en zo hij nu te water reisde vroeg ik aan de spiering of hij daarvan enig nieuws kon melden. En wat antwoord geeft de spiering u daarop, vroegen zij. Och, zei hij, de  spiering zei dat hij daarvan helemaal niets wist, maar hij zei dat ik de grote vissen dat vragen zou want die zullen er mogelijk meer van weten. Door deze sluwheid kwamen die van het gezelschap te weten dat hij ook zijn deel van de grootste vissen behoorde te hebben zoveel als zij, want hij moest wel zijn deel van het gelag betalen zoals de anderen.

(33) Een zandhandelaar was op reis met zijn ezel achter zand toen de ezel kwam te sterven. De handelaar ging zitten voor de deur van de eerste herberg waar hij aankwam en begon daar deerlijk zijn schade te beklagen. Hij wilde van niemand getroost worden maar zei tegelijk alsof hij heel wanhopig was: och mijn ezel is dood, mijn ezel is dood en nu mijn ezel dood is weet ik wel wat ik zal gaan doen. En zo bleef hij zitten klagen en voortdurend zeggen dat hij nu wel wist wat hij zou gaan doen. Enige kooplieden die in de herberg waren en dit verstaan hadden, hebben hem binnen geroepen en hem te eten en te drinken gegeven. En met goede woorden hebben ze hem willen troosten maar niet tegenstaande dit bleef hij bij zijn voorgaande uitspraak dat, nu zijn ezel dood was, hij wel wist wat hij zou gaan doen. De kooplieden die vreesden dat hij zichzelf ergens zou gaan verdoen, hebben onder elkaar een beurs gemaakt. En elk heeft zoveel gegeven dat er veel geld bijeen was waarmee de arme handelaar een andere ezel kon kopen en dat hebben ze hem gegeven. Toen nu de handelaar dit geld gekregen had, begon hij wat beter gemoed te tonen en de somberheid te verlaten. Toen zei een van de kooplieden die met hem begon te praten: zeker mijn vriend, gij waart zeer ontsteld en scheen zeer wanhopig te zijn; ik vraag u zeg mij toch, wat meende gij te gaan doen, gij die zo dikwijls zei dat, nu dat uw ezel dood was, gij wel wist wat gij zoudt gaan doen. Voorwaar mijnheer, zei de handelaar, ik meende de zadel van de ezel te gaan verkopen.

 


[1] Pasquino (Pasquillus) was een beeld in Rome dat dienst deed als kritische spreekbuis doordat satirische gedichten,’pasquilles’ of schotschriften (vaak gericht tegen wantoestanden in de kerk) eraan gehecht werden.

[2] Komkommervisje.

5.  Van adel en van rijkdom

(34) In de tijd van Don Juan de Austria[1] was er een Spaanse kapitein die alleen door zijn eigen deugd en vroomheid van een simpel soldaat tot een kapitein geworden was en daarna nog hoger gepromoveerd. Toen werd van Don Juan gezegd dat niemand wist van welke ouders hij afkomstig was. Op een dag was hij in het hof van Don Juan en deze vroeg hem wiens zoon hij was, waarop hij Don Juan antwoordde Yo soy el hijo de mes obres, dat wil zeggen: ik ben de zoon van mijn werken, te weten dat de eer die hij had er een was die hij door zijn eigen werken verdiend had.

(35) Een vermaard kolonel hoorde in het gezelschap van veel edelen spreken over hun doorluchtige families. Toen zei hij dat hij ook van een doorluchtig huis of familie was, want het huis waarin hij geboren was, was zo oud en zo stuk dat de zon de ene wand binnen scheen en de andere weer uit.

(36) Een zoon van een burger had zich zo vroom gedragen dat hij ridder geslagen was. Op een dag kreeg hij enige woorden met een liederlijke edelman die hem verweet dat, al was hij een ridder, hij toch geen zoon van een ridder was zoals hij. Zo is het verschil tussen ons beide, zei de ridder, dat ik door mijn plichten hoger ben geacht geworden dan mijn vader terwijl gij door uw loffelijke manieren van minder achting zijt dan uw vader. Denk eens wat gij zou geweest zijn indien gij zulke vader niet gehad had,want uit uw eigen verdiensten had gij geen eer kunnen verwachten, want gij moet u behelpen met geleende eer.

(37) Iemand beroemde zich erop dat hij een edelman was van zo’n oude afkomst dat daarvan niet te zeggen was. Hoe oud wel? vroeg een ander. Van 500 jaren ten minste, antwoordde hij. Zijn, zeide de andere, uw voorouders 500 jaar edel geweest dan kon gij vele vrome daden tonen die zij gedaan hebben in die lange tijd. Maar toen deze edelman geen wist te noemen, zie ik nu toch, zei de andere, dat er niets over te zeggen valt.

(38) Een grote mevrouw in Parijs minachtte haar kamermeisje en zei haar dat ze niet waard was om een mevrouw te dienen die zoveel beter van bloed en hoger van afkomst was dan zij. Dat ontken ik, zei de kamermeid, want wat uw bloed betreft: de barbier die  onlangs bij u een aderlating deed, deed het ook bij mij, en hij en ook de dokter zeiden allebei dat mijn bloed veel beter was dan het uwe.[2] En wat uw afkomst betreft, ik betwijfel niet dat mijn voorouders zoveel gemetst hebben aan de hoge toren van Babel als de uwe.

(39) Deze man, zei iemand terwijl hij naar een voorbijganger wees, is zo rijk dat hij het einde van zijn goed niet kent. Dat weet ik wel, zei de andere, want het einde is de hel omdat hij het niet eerlijk gewonnen heeft en het niet goed aanwendt.

(40) Een rijke burger die als wijs man geacht werd, lag op sterven. Zijn knecht kwam bij hem en verlangde dat hij hem enig goed advies of raad wilde achterlaten wat hem later profijtelijk mocht wezen. Zeer graag, zei de koopman en hij zette zich recht op zijn hoofdkussen. Hij zei tot zijn knecht: proef altijd uw soep voor dat gij uw brood daarin breekt, en hiermede stierf hij.

 



[1] Don Juan van Oostenrijk (1547-1578) was een onwettige en in het geheim geboren zoon van keizer Karel V en landvoogd van de Nederlanden aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

[2] Naast kapperswerk voerde de barbier in de middeleeuwen eenvoudige medische ingrepen uit, zoals aderlatingen en tandheelkunde.

6.   Antwoorden, woordenwisselingen en subtiele schertsen

(41) Een vleier is bij een grote Heer gekomen en heeft hem gezegd dat een zeker persoon, die hij ook met naam noemde, in tegenwoordigheid van veel personen veel kwaad van hem gesproken had. Ik heb liever, antwoordde die Heer, dat een persoon in de tegenwoordigheid van veel personen veel kwaad van mij zou spreken dan dat veel personen in de tegenwoordigheid van één persoon veel kwaad van mij zeggen zouden.

(42) Een Arabische koning toonde aan enige van zijn grote heren zijn schat en vele kostelijke juwelen. Zij prezen hem zeer dat hij zulke grote buit gekregen had van zijn vijanden, maar een van de overige zei tot de koning: Och heer koning, hoe groot geluk zou het zijn dat een koning die zulke grote schat bijeen heeft niet sterven moest. Gij spreekt maar dwaas, antwoordde de koning, want in het geval de mensen niet sterfelijk waren dan zou ik nooit een koning geweest zijn.

(43) Een zelfingenomen persoon verzocht aan een koning van Spanje om zijn secretaris te zijn. De koning antwoordde hem dat hij reeds voorzien was van een bevredigende secretaris. Ik weet wel, zei de andere, uwe Majesteit heeft een secretaris maar hij kan geen Latijn. De secretaris die daar tegenwoordig was en dit hoorde, antwoordde hem dat het veeleer schande was om geen goed Spaans te spreken.

(44) Een Arabische koning van Granada verstond de Spaanse taal redelijk goed en werd op een dag gevraagd waarom hij dit nooit sprak als de gelegenheid vereiste. Omdat, antwoordde hij, een koning dat slechts behoort te doen als het degelijk gedaan zou zijn.

(45) Een kardinaal in Spanje zag op een dag dat een priester een knuppel onder zijn mantel droeg en zei dat het niet betaamde voor een priester om een knuppel te dragen, waarop de priester protesteerde dat hij dit niet droeg voor christen mensen, maar alleen om hem te beschermen tegen de felle honden van de stad. Daartoe dient, zei de kardinaal, het Sint-Jans-Evangelie[1]. ’t Is waar mijn Heer, antwoordde de priester, maar deze kwade krengen verstaan geen Latijn en daarom moet ik mij tegen hun verdedigen zoals ik het beste kan.

(46) Een oude dienaar van een Paus die een man van zeer veel woorden was, stelde zich aan hem kandidaat om aartsbisschop te zijn van Silence[2] op het eiland van Sardinië.  Voorwaar, zei de Paus, gij hebt geen reden om dat te verlangen want het zou u altijd een leugenaar maken.

(47) Een soldaat kwam bij zijn kapitein om zijn advies te geven aangaande het innemen van een zeker fort. Dat, zo zei hij, zou  op de manier die hij uitgevonden had ingenomen kunnen worden met verlies van zeer weinig volk. Toen vroeg de kapitein hem of hij zelf een van die weinigen wilde zijn, maar daarop was hij traag in het antwoord geven.

(48) Een Spaanse monnik genaamd broeder Franciscus Ximenes[3] werd om zijn waardigheid kardinaal en aartsbisschop van Toledo gemaakt. Toen dit geschiedde  was hij in Rome en schreef hij aan een goede vriend in Spanje het nieuws van zijn benoeming. Toen zijn goede vriend deze brief ontving heeft hij daarop geantwoord dat hij zeer verblijd was om deze benoeming maar toch bedroefd dat hij daardoor de familiariteit van zulk een goede vriend zou moeten verliezen. Dat betekent zoveel, dat oprechte vriendschap en familiariteit slechts kan bestaan onder degenen die gelijk zijn.

(49) Een kapelaan van een grote prins die gewend was altijd de zegening aan de tafel van de prins uit te spreken zei dit ook op een stille bescheiden wijze. Op een dag werd hem gezegd dat het niet goed stond dat hij zo stil sprak maar dat hij luider moest spreken. Kunt gij, antwoordde de kapelaan, van mij een zot maken dan zal ik zo luid als gij spreken.

 



[1] Aan het opzeggen van het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Sint-Jan werd een beschermende kracht toegeschreven tegen allerlei kwaad en onheil.

[2] Een onbestaande stad van de ‘stilte’.

[3] Francisco Jiménez de Cisneros (1436-1517) franciscaan, kardinaal en Spaans staatsman onder de katholieke koningen Ferdinand en Isabella.

(50) Een koning van Frankrijk zag een zeer vette abt en vroeg hoe hij heette. Uit plezier antwoordde een hoveling dat hij Jan zonder zorgen genoemd werd. Roept hem hier, zei de koning, aangezien hij geen zorgen heeft zal ik hem wat zorgen doen hebben. Toen hij bij de koning kwam stelde deze hem drie vragen en gaf hem drie maanden respijt om die te beantwoorden. Hij zei dat als hij die vragen niet beantwoorden kon hij zijn abtschap zou verliezen. Hierop is de abt weer naar zijn abdij gekomen heel droef en vol zorgen. De kok van de abdij, die van gezicht zeer op de abt geleek, zag dat de abt zo zwaarmoedig was en vroeg wat hem scheelde. Och, zei de abt, ik ben door de koning bevolen in drie maanden tijd drie vragen te antwoorden die mij dunken onmogelijk te beantwoorden zijn. De eerste is, welke de rapste ruiter is die men vindt. De tweede is, hoeveel de koning waard is, en de derde is, waar ongeveer het midden van de wereld is. Toen de kok de vragen gehoord had wenste hij dat de abt zich daarin niet kwellen zou want hij zou zeer goed weten om alle drie de vragen voldoende te beantwoorden. Toen de drie maanden bijna om waren, heeft de kok de klederen van de abt ontleend en die aangedaan. Daarmee is hij in het hof van de koning gekomen waar iedereen hem aanzag voor de abt omdat hij zo zeer op de abt geleek. Toen hij in de aanwezigheid van de koning was gekomen, zei hij aangaande de eerste vraag dat de zon de snelste ruiter was die men vinden mocht want zij liep in vierentwintig uren de gehele wereld rond. Aangaande de tweede vraag, dat de waarde van de koning niet meer dan negentwintig penningen was omdat Christus zelf maar om dertig penningen verkocht was en de koning altijd een penning minder dan Christus waard moest zijn. Aangaande de derde vraag zei hij, dat het midden van de wereld recht daar was waar zijn stok stond, want men moet weten dat de wereld rond is en daarom gelijk welke plaats daarvan het midden is.

(51) Een boer die met zijn ezel in Parijs voorbij het hof van de koning kwam is daar zeer woedend op de ezel geweest omdat hij niet zo snel wilde gaan en heeft de ezel geweldig geslagen. Toen enige edellieden van het hof dit aanschouwden hebben ze de boer verweten dat hij het arme beest zo wreed behandelde. Dit horende nam hij zijn hoed af en stak zijn been naar de ezel uit, maakte een grote buiging en vroeg hem om vergiffenis, terwijl hij zei dat hij niet geweten had dat deze zulke grote vrienden aan het hof had.

(52) Een edelman vroeg aan een andere edelman of hij ergens wist waar hij een statig paard bekomen kon. Ach ja, zei de edelman, ik heb er zelf een in mijn stal die ik u verkopen zal. Daarop bracht hij hem in de stal en toonde hem daar een zeer slecht, oud en mager paard. Wel, zei de andere, waar is hier het statig paard waarvan gij mij gesproken hebt. Daar is het, zei de edelman, en wees naar het slechte paard. Hoe, zei de andere edelman, houdt gij dit voor een statig paard? Och ja, antwoordde hij, want laat een zadel op zijn rug doen, gaat daarop zitten en laat het zijn eigen statige pas houden. Ik wed dat het niet veel meer dan een halve mijl op een halve dag gaan zal en zoudt gij dan een statiger paard wensen?

(53) Een edelman die voor een afspanning van zijn paard afsteeg verlangde van een knecht die daar stond te kijken dat hij zijn paard wat met de toom zou houden. Hoe, zei de knecht, is een mens wel sterk genoeg om dat groot sterk paard met de toom te houden? Ach ja, zei de edelman, zeer gemakkelijk. Zo mag het mijn Heer believen, zei de knecht, het paard zelf vast te houden en daarmee ging hij door.

(54) Een boer die een heel lang en mager paard door de stad leidde werd van een burger gevraagd hoeveel meter van dat paard wel wat zou opbrengen. De boer nam de staart van het paard op en zei tot de burger: vraagt het daar in de winkel en zij zullen het u daar wel zeggen. 

(55) Een man die maar één oog had kwam op een morgen een bultenaar tegen en zei om hem te beschimpen: waar naartoe mijn vriend, zo vroeg met uw pak op de hals? Ik bemerk, zei de bultenaar, dat het vroeger is dan ik dacht want gij hebt nog maar één venster open gedaan.

(56) Een reiziger die door de nacht overvallen werd was gedwongen in een slechte herberg in een dorp te gaan logeren. Toen hij naar bed zou gaan gaf men hem een ladder om hoog in het bed te geraken. Hij vroeg toen of dat ook de ladder van de vlooien was want hij wist dat die ook op die ladder klimmen konden. Hij zou liever beneden blijven en op het stro slapen.

(57) Een Heer die buiten de stad een schoon buitenverblijf had gebouwd kreeg daar bezoek van een kennis. Toen hij zijn schoon huis bezien had zei hij tot de Heer dat hij wel een schoon huis gebouwd had voor de zomer maar niet voor de winter. Het schijnt, zei de Heer, dat gij denkt dat ik niet zoveel kennis heb als een wilde gans, dat ik mijn woning niet veranderen kan naargelang het seizoen van het jaar.

(58) Iemand in een gezelschap, waar elk kluchtig en gek praatte, deed zoals de anderen en sloeg wat kluchtig en gek uit. Toen zei iemand uit het gezelschap dat hij moest oppassen met zo te spreken uit vrees dat men hem een zotskap[1] aan zou trekken. Dat vrees ik niet, antwoordde hij, zolang als ik u en de rest van het gezelschap zonder kappen zie zitten.

(59) Iemand kwam bij een van zijn kennissen met de vraag hem een mantel te willen lenen. Aangezien het niet regent, zei de andere, hebt gij geen mantel van doen en zou het gaan regenen dan heb ik hem zelf nodig.

(60) Een pachter wilde zijn zoon in het ambacht van vleeshouwer besteden en ging bij de Heer van wie hij huurder was om zijn raad te vragen hoe hij een goede, geschikte en kundige vleeshouwer kon vinden. Daar weet ik u wel raad in te geven, antwoordde de Heer, gij kunt dat niet beter doen dan hem te besteden bij een kwakzalver.

(61) Een man trouwde een boerendochter tegen wie hij kort daarna misnoegd was. Schamper vroeg hij haar hoeveel hopen stro dat haar vader elk jaar opdeed voor zijn beesten tegen de winter. Wel driehonderd, antwoordde de vrouw, eer ik met u gehuwd was, maar nu maakt hij wel provisie van driehonderdvijftig omdat hij een beest meer te verzorgen heeft.

 



[1] De zotskap of een muts met belletjes was het typische hoofddeksel van een nar. Figuurlijk verwijst het naar een dwaas of gek.

(62) Een fraaie hoveling, wiens meeste rijkdom gelegen was in de klederen die hij droeg, kwam een heer bezoeken op de heerlijkheid waar hij woonde. Ze wandelden samen in het salon toen de heer hem bezag in zijn uitermate schone klederen en zei: me dunkt dat gij en ik nu wandelen in het midden van ons goed.

(63) De hertog van Nazareth kwam op een dag om de handen te kussen van keizer Karel de vijfde die toen in Spanje was. Hij was uitermate kostelijk gekleed en de kleding van zijn knechten was ook zeer kostelijk. De keizerin zag hem vanuit het venster en zei tot de keizer: daar komt de hertog van Nazareth niet om ons te zien maar om door ons gezien te worden.

(64) Een Fransman die geen page had, ontleende de page van een andere edelman om met hem te gaan toen hij ging vrijen. De page was geboren in Biskaje. Toen de Fransman bij zijn maitresse was begon hij, om plezier te maken voor zijn maitresse, met de page te gekscheren. Hij vroeg hem of het spreekwoord waar was, dat de Biskajers voortkwamen uit de scheet van een Jood. Dat weet ik niet, zei de page, maar voor zover het waar is zult gij, telkens als gij een wind wilt laten, een Biskajer bij u hebben als compagnon en geen geleende page.

(65) Op een kruispunt stonden twee herbergen en tussen de twee herbergen stond een kruisbeeld. Toen kwamen enige passanten daar voorbij en een die dat opmerkte zei tot zijn gezellen: zie, daar hangt Christus tussen twee dieven. Een van de herbergiers stond in de deur en dat horende begon hij tegen de passant te schelden. Maar, zei de passant, wees niet boos want ik heb u aanzien voor de goede dief.[1]

(66) Een man van de buiten kwam ten huize van een burger om hem te spreken. De hond van de burger vloog de man zo naar het lijf dat hij zijn degen uittrok en de hond zijn staart afsneed. Toen de huisvrouw van de burger dit zag was ze erg overstuur en heeft hem zeer slechte namen gegeven. Juffrouw, zei de man van de buiten, maar wees toch niet zo boos daarom want waarachtig de staart van een hond kan u geen deugd doen.

(67) Een grappenmaker was op een plaats waar vele edelmannen en juffrouwen op een maaltijd bijeen waren. Hij merkte dat iemand van het gezelschap er maar slecht uitzag, niet zo fraai gekleed was als de rest en niet veel woorden sprak. Hij begon hem meteen enige steken te geven en toen hij zag dat hij die verdroeg, werd hij nog stouter en gaf hem er nog meer en meer om het gezelschap meer te doen lachen. Toen nu de maaltijd gedaan was kwam deze edelman bij de grappenmaker en begon hem te prijzen dat hij zo aangenaam was geweest en zo veel fraaie steken kon geven. Dat is een bijzondere gave, zei hij, waar hij geen verstand van had. Nochtans, al kon hij niet steken hij kon wel slaan zoals gij zien zult, zei hij, en direct daarop nam hij zijn dolk en gaf de grappenmaker daarmee zulk een slag op het hoofd dat hem het bloed langs de oren afliep. Kijk, zei de edelman tot het gezelschap, deze grappenmaker heeft u allemaal doen lachen om hem zelf te doen huilen.

(68) In zijn kamer in Spanje was keizer Karel de vijfde alleen met zijn nar, ene Romero de Figueroa. Een edelman die maar weinig land had en dat ook gelegen was dicht aan de grens met Portugal, verlangde een audiëntie te hebben. De keizer zei dat men hem zeggen zou dat hij een andere tijd moest kiezen omdat hij voorzien was om zich die tijd terug te trekken. Och, zei de nar, ik bid uwe keizerlijke majesteit, geef hem toch nu audiëntie want anders zou hij kunnen uit ongeduld al zijn land in een mand bijeen pakken en ermee naar Portugal lopen.

(69) Een jonge pronker die veel land van zijn ouders geërfd had, heeft het zo bont gemaakt dat hij het in korte tijd allemaal verkocht. Toen was er iemand die hem zei dat hij een wonder werk gedaan had want de aarde zoals men ziet die verteert alle mensen maar gij zijt een mens die aarde verteerd hebt.

 



[1] Volgens de overlevering was Christus gekruisigd tussen twee misdadigers van wie één (de ‘goede’ dief) zich bekeerde aan het kruis.

 

(70) Een knecht van een grote Heer die een grote sterke kerel was, was door zijn heer om een boodschap in de stad gezonden omdat de Heer op de buiten woonde. Hem was opgedragen dat hij het dwergje van de grote heer zou meenemen. Toen hij onderweg met de dwerg was zei hij tot de dwerg dat hij beschaamd was om achter hem over straat te gaan en dat de burgers dat zouden zien. Nee, zei de dwerg, ik ben meer beschaamd om met u te gaan en dat de burgers het zouden zien, want zij zullen verwonderd zijn dat ik zulk een grote ezel met mij leid zonder erop te zitten.

(71) Iemand die dikwijls ten huize van een edelman placht ongenodigd te komen eten, kwam op een tijd en bracht zijn goede vriend mee, zeggende tot de edelman dat hij zijn schaduw mee gebracht had. Uit beleefdheid heeft de edelman hem welkom geheten en zijn schaduw ook. Daarna kwam hij nog eens en bracht die persoon en nog een ander mee. De edelman heeft hem opnieuw welkom geheten met zijn twee vrienden maar zei dat hij nooit tevoren zulk een wonder gezien had. Van de anderen gevraagd, welk wonder? zei hij dat een lichaam twee schaduwen kon hebben.

(72) Iemand in een gezelschap had een grote schone turkoois in een ring aan zijn vinger. Een nar die daar tegenwoordig was werd gevraagd welke kracht of deugd in die turkoois was. Ik zal u zeggen, zei de nar, dat als deze man die de turkoois aan heeft van een hoge toren zou springen en de hals breken, het zeer goed zou kunnen dat de turkoois daardoor geen schade zou lijden.

(73) Toen iemand een kleermaker zag binnenhuis op een zondag zitten werken, heeft hij hem bekeven, zeggende dat hij zulks niet behoorde te doen. Ik weet wel, zei de kleermaker, dat ik zulks niet behoor te doen maar gisteren had ik geld van doen en ik ging op veel plaatsen om geld te lenen. Niemand wilde mij die vriendendienst doen en dat is de reden dat ik zo stout ben geweest om een zondag te ontlenen van Onze Lieve Heer.