7.     Van goede en slechte vrouwen, en van te zeer curieuze vrouwen

(74) Een slechte vrouw zag een goede vrouw haar man zeer vieren en gehoorzaam zijn en zei dat zij maar slecht was om zulks te doen en ook dat zij zulks voor haar man niet wilde doen. Dat ik nog meer deed, antwoordde de goede vrouw, ik zou daarmee geen eer verliezen want ik hem hem zowel gehoorzaamheid beloofd als trouw, en hou ik de een belofte niet zowel als de ander, dan moet ik het een zowel als het ander voor God verantwoorden en ook van de wereld oneer of schande lijden.

(75) Een vrouw in Spanje had haar man verloren en werd door enige van haar vrienden aangezet om een andere man te trouwen. Toen heeft zij gezegd dat zij zulks niet wilde doen omdat de dood de trouwe liefde die zij voor haar man had ook niet doden zou.

(76) Een slechte vrouw gekscheerde met een goede vrouw omdat ze alle dingen deed die haar man verlangde en ze vroeg haar waarom dat ze zo slecht was? Ik zou slecht zijn, zei de goede vrouw, als ik zulks niet deed aangezien ik zulks behoor te doen, en dat men geen beter middel vinden kan om de rust en vrede in een huis te houden.

          Want twee meesters in een huis

          Is voorwaar een zeer groot kruis.

Ik zou dat nochtans niet willen doen zei de slechte vrouw. Ik heb liever, zei de goede vrouw, de volgeling te zijn van de huisvrouw van Abraham dan de huisvrouw van Job.[1]

(77) Een edele vrouw in Rome had een man die een zeer stinkende adem had. Men vroeg haar hoe zij zulk een stinkende adem verdragen kon? Hoe, zei ze, hebben alle mannen dan zulke adem niet?

(78) Een zeer deugdzame en verstandige vrouw was naar ’t leven geschilderd. Het schilderij was gevallen waar het opgehangen was en in stukken gebroken. Een van de boden die haar dat moest komen zeggen, had grote vrees dat de juffrouw daardoor zeer kwaad en verstoord zou zijn, maar toen zij het hoorde, zei ze slechts: is het dan gebroken, zo is nu de schaduw van een schaduw geschonden.

(79) Een Hollander op reis in Frankrijk zag daar op een schilderij een uitermate mager beest dat zij daar Chicheface[2] noemen. Dit beest is zo mager dat het slechts vel en benen aan heeft, want naast haar stond geschreven in het Frans: Cette beste ne mange rien que des bonnes femmes, wat in het Nederlands wil zeggen: deze eet niets anders dan goede vrouwen. Och arme, zei de Hollander, dan is het geen wonder dat zij zo mager is want haar voedsel is moeilijk te bekomen, en daarom zou ik niet aanraden dat men haar naar Nederland zou zenden om vet te worden.

(80) Toen op een dag een schip uit Spanje naar Peru zeilde is een zeer grote storm opgestoken. Uit vrees dat ze allemaal zouden verdrinken gelastte de kapitein een tegeltje over boord te werpen, het zwaarste ding dat hij had en goed missen kon. Toen begon elk op het bevel van de kapitein iets zwaars over boord te werpen. Een passagier die een slechte vrouw had, wilde haar over boord werpen maar enigen van het gezelschap hielden hem tegen en hielpen de vrouw. Toen vroeg men hem waarom hij van plan was dat te doen. Om het bevel van de kapitein te voldoen, antwoordde hij, want zij is het zwaarste ding dat ik heb en ik kan ze ook best missen.

 



[1] De Bijbelse figuur Abraham had een voorbeeldige vrouw terwijl Job een vrouw had die hem aanraadde God te vervloeken!

[2] Chicheface is een fabelachtig dier dat zich voedt met ‘goede en brave vrouwen’ maar zeer mager blijft omdat het zelden een goede maaltijd vindt! Vaak wordt het vermeld met zijn tegenhanger, bigorne, een groot en vet dier dat zich voedt met mannen die door hun vrouw getiraniseerd worden…

(81) Iemand hoorde in een huis de vrouw heel venijnig en spijtig spreken tegen haar man. Voorwaar, zei hij, gij toont hiermee dat gij van een slechte natuur zijt of van een slechte opvoeding. Wat zal er u overkomen, zei zij, wilt gij mij hier controleren en zou men niet mogen zijn gebrek zeggen? Voorwaar, antwoordde hij, gij toont uw gebrek zo zeer dat een ieder die het zou mogen horen zou oordelen dat het eerder een gebrek van een woesteling is dan een gebrek van vrouw.

(82) Iemand werd gevraagd welke muziek de duivel het allerliefste hoorde. Daarop antwoordde hij: niets liever dan de taal van een kwaad wijf. Men zegt nochtans, zeiden de anderen, dat het beter is kwaad dan zat. Dit spreekwoord, zei hij, maakte de duivel tot schade van God.

(83) Een burger die in de verkeerde wereld woonde, want zijn huisvrouw was zijn meester, had op een dag enige gasten uitgenodigd. Hij verlangde van haar dat zij hem liet commanderen alsof hij meester was, zodat zij zien konden dat hij de eer had van meester in eigen huis te zijn zoals een ander. Hij sprak haar zo schoon aan dat zij hem toegaf. Toen de gasten gekomen en gezeten waren, commandeerde hij als was hij terdege de meester zoals het behoorde, zeggen ‘vrouw doe dit, vrouw doe dat’. Tenslotte liet hij haar in de kelder gaan om kaas te halen. Toen zij in de kelder was liet zij de deur openstaan en riep hem toe zodat hij omkeek en vroeg hem, wijzende met haar hand op de kaas en wijzende hem naar haar andere vuist, of hij van die kaas verlangde of van die. Vrouwke, zei hij, breng toch van die kaas die ik het beste mag.

(84) Iemand vroeg hoe het komen mocht dat een slecht wijf haar slechtheid zo zelden kan laten zoals een dronkaard zijn drinken. Hij die het gevraagd was antwoordde daarop dat de oorzaak is dat de duivel haar doet geloven dat zij niet slecht is.

(85) Een vrouw die zeer fraai in de kleren was, stond tegen iemand te kijven met de slechtste woorden van de wereld. Juffrouw, zei de andere, (voor zover dat ik u niet verkeerd noem) gij gaat niet zoals gij spreekt en gij spreekt niet zoals gij gaat want uw tong beschaamt uw kleren.

(86) Iemand prees een rijke weduwe een degelijke man zeer aan en stelde voor hem met haar kennis te doen hebben. Maar zo haastig niet, antwoordde de jonkman, ik moet eerst vernemen hoe vreedzaam en gehoorzaam dat zij met haar andere man geleefd heeft.

(87) Een boer kwam door een dorp in Engeland te paard gereden met zijn jongen die naast hem te voet ging. Toen hij veel volk voor een herberg zag staan, deed hij zijn jongen vragen wat daar te doen was. De jongen ging het vragen, kwam weer en zei dat daar een wijze vrouw was, want zo noemen ze daar een waarzegster of die het geluk van mensen weet te zeggen. Jongen, zei de boer, houd mijn paard hier met de toom want ik wil afstappen om die wijze vrouw te zien, want ik heb nooit in mijn leven een vrouw gezien die een wijze vrouw was.

(88) Een rijke burger stelde voor zijn dochter aan de zoon van een burger ten huwelijk te geven met een goede som geld. De jongeman had verstaan dat de dochter slecht en fel was en daarom heeft hij geweigerd, en zei: een vader mag wel geld met zijn dochter geven maar het is God die een man een goede vrouw kan geven.

(89) De graaf van Orgas in Spanje placht te zeggen dat hij die zich onderwerpt aan de autoriteit van zijn huisvrouw, doet gelijk iemand die op zijn handen gaat en zijn voedsel eet met zijn voeten.

(90) Op een nacht vertoonde een geest zich aan een persoon die een zeer slecht wijf had en toen allen sliep. Toen hij de geest zag was hij heel verschrikt, maar toen de grote vrees wat verminderd was heeft hij de moed gegrepen en gezegd: zijt gij van God of een van zijn goede engelen, ik weet wel dat gij mij geen kwaad wilt doen; zijt gij de duivel, ik hoop dat gij mij ook geen kwaad wilt doen gezien onze verwantschap want ik heb uw zuster getrouwd.

(91) De huisvrouw van een Duitser was in een rivier door een ongeluk verdronken. Toen is de man ter plaatse gekomen waar zij gevallen was om haar dood lichaam op te vissen. Vandaar ging hij opwaarts tegen de stroom. Enigen die dat zagen zeiden hem dat hij neerwaarts met de afgaande stroom moest zoeken, omdat de dode lichamen altijd afdrijven met de loop van het water. Ik geloof, zei de Duitser, dat andere lichamen dat wel doen maar zij was zo contrarie van rede toen zij nog leefde dat het onmogelijk is, want zij moet daar contrarie tegen zijn nu zij dood is en daarom ga ik ze zoeken waar ik ze best hoop te vinden.

(92) Iemand vroeg aan een ervaren persoon in welke huizen van gehuwde personen men de meeste rust en vrede vond. In de huizen, antwoordde de andere, waar de man doof is en de vrouw blind.

(93) Twee kwade wijven waren zeer fel tegen elkaar aan het kijven. De een zei tot de ander dat zij rook naar eer gelijk een koe naar rozenwater. Ja, zei de ander, met de eer die gij hebt en de wol van een oude hond zou men voor uw man een mantel mogen maken van oprechte koekoekskleur.

(94) Iemand kwam voorbij een huis in de tijd dat de pest heerste, hoorde groot getier in het huis en merkte dat de vrouw de man neersmeet. Hij zette een teken aan de deur zoals men gewoon is te doen als de pest in het huis is. Toen bekend werd wie dat gedaan had, werd hij die het gedaan had op het stadhuis voor de Heren ontboden en gevraagd waarom hij zulks gedaan had aangezien dat de pest daar niet was. Toen antwoordde hij dat er geen groter pest in een huis kan zijn dan wanneer een vrouw zo opstandig tegen haar man uitviel dat ze hem durfde slaan.

(95) Een kwade en kijfachtige vrouw had opeens al haar tanden verloren en vroeg een doctor in de medicijnen wat daarvan de oorzaak mocht zijn aangezien zij nog jong en gezond was. Ik ken andere oorzaak, zei de dokter, dan dat gij uw tong te zeer tegen uw tanden geslagen hebt. Hoe zou dat komen, zei de vrouw, aangezien dat mijn tong zachter is dan mijn tanden. Toen antwoordde de dokter met het Latijnse vers Gutta cavat lapidem non vi sed saepe cadendo.[1] En omdat de vrouw geen Latijn verstond zei hij dat de harde steen gespleten wordt door het druppeltje water, niet door kracht maar door het dikwijls vallen.

(96) Op een begrafenis van een vrouw die in haar leven vol verwijten en roddel was geweest, schreef iemand dit grafschrift:

          Hier zwijgt zij stil die eertijds placht te spreken

          En anderen spreken nu van haar gebreken.

(97) Een man van eer die maar één oog had, had een vrouw die niet eerlijk was. Deze man was uit de stad geweest en plots onverwacht thuis gekomen op een morgen. De vrouw die nog op haar bed lag en een schurk bij haar had, heeft terstond de schurk achter het bed verborgen. Toen de man in de kamer gekomen was scheen het alsof zij door zijn binnenkomst wakker was geworden en heeft hem welkom geheten. Ze zei dat ze zo pas een droom had gehad waarmee ze zeer verblijd was, want, zei ze, ik heb gedroomd dat gij uit uw beide ogen zien kon. Daarom zei ze: och lieve man, laat mij toch mijn vinger op uw oog leggen waarmee ge zien kunt, om te zien of mijn droom waar is, of ten minste of gij enige schemering van het ander oog zult hebben. De man liet het haar toe om haar tevreden te stellen. Toen zij haar vinger op haar mans goede oog had, deed ze teken aan de schurk dat hij er vandoor zou trekken. Zo deed hij ook terwijl zij haar man heel ernstig vroeg of hij enige schemering kon bemerken.

(98) Een curieuze oude vrouw zond haar knecht om schone krieken te kopen. De knecht bracht er zulke als hij krijgen kon. Toen hij die aan de vrouw bracht bekeef ze hem zeer omdat ze niet schoon genoeg waren. Veroorlof me mevrouw, zei de knecht, zij zijn zeer schoon, zet toch uw bril op uw neus dan zult gij zien dat ik niet lieg. De vrouw heeft alzo gedaan en door haar bril die zeer vergrootte toonden de krieken veel groter dan zij waren, zodat de vrouw bekende dat de knecht gelijk had en ze ging verder de krieken zitten eten met de bril op de neus.

(99) Een zeer curieuze vrouw was gewend haar ketels en koperwerk geweldig net te hebben in haar keuken, niet om die te gebruiken waarvoor ze gemaakt zijn maar tot pronk en sieraad, alsof de koperen keteles, potten en pannen een bezienswaardigheid waren zoals een kunstig schilderij. Iemand die dikwijls in haar keuken kwam en de ketels altijd staan pronken zag, zei om haar kleine kokerij te beschimpen: voorwaar Mevrouw, mij dunkt dat het altijd nieuw hier in uw keuken is en dat gij uw ketels, potten en pannen niet moogt aanraken.

 



[1] Gezegde van de Romeinse dichter Ovidius: ‘De druppel holt de steen uit, niet door kracht, maar door vaak te vallen’.

(100) Een hoofse mevrouw had haar page gezonden om iets liefelijks tussen twee Venetiaanse schotels te dragen naar een andere vrouw. Een van de schotels gleed onderweg af en brak in stukken. Toen de page terugkwam en dit ongeluk aan de vrouw verteld was, deed ze de page roepen en die kwam daar voor haar staan met de andere schotel in de hand. Toen bekeef ze hem zeer om zijn lompheid en zei hem dat ze graag zou willen weten hoe dat mogelijk was en hoe dat gebeurd zou zijn. Aldus mevrouw, zei hij, en liet de schotel uit zijn hand op de grond vallen zodat die ook in stukken brak, omdat zij weten mocht hoe dat mogelijk te doen was.

(101) Een zeer nette en curieuze vrouw zat bij het vuur en riep haar knecht om het vuur te stoken. Toen de knecht bezig was met bukken en het groot hout op het vuur met de tang keerde en wendde, ontsnapte hem van achter een felle scheet. Wel, zei de vrouw, gij vuil beest wat doet gij daar? Ik heb een scheet gelaten, antwoordde de knecht. Gij lomp beest, zei de vrouw, moet gij dat vóór mij doen? Voorwaar mevrouw, zei de knecht, had ik geweten dat gij een scheet wilde laten, dan had ik wat gewacht zodat gij het had mogen voordoen.

8.     Van eer en van vrijgevigheid

(102) Een hertog van Feria in Spanje was van zulk een genereuze gesteldheid, dat hij nooit aan zijn schatbewaarder preciseerde welke som kronen dat hij iemand geven zou maar hij zei altijd: geef die persoon veertig of vijftig kronen of geeft die persoon honderd of honderdvijftig kronen, met als gevolg dat de schatbewaarder altijd perplex stond en niet wist wat hij zou doen. Toen hij een dag van zijn Heer de opdracht kreeg om aan een zekere pesroon tweehonderd of tweehonderdvijftig kronen te geven, is hij bij zijn Heer gekomen om precies zijn wens te kennen. Gij lomperik, zei de hertog, zoekt gij mijn manier van spreken te veranderen, ik zeg het nu voor eens en altijd, versta steeds het meeste van mijn wensen.

(103) Een grote Heer werd verbannen uit Griekenland waar hij geboren was en al zijn goederen in beslag waren genomen. Hij werd ontvangen door een koning van Cyprus die zijn uitmuntend verstand had bemerkt en hem zo verheven heeft dat hij driemaal meer heeft gegeven dan hij voorheen had gehad. Op een dag zat deze heer bij zijn huisgenoten en zei: Och mijn kinderen, och hoe hadden we geruïneerd geweest, hadden we niet geruïneerd geweest.

(104) Alonso de Valencia had het fort van Zamora overgeleverd aan Ferdinand koning van Spanje. De koning wilde de rijke garderobe van de koning van Portugal zien die daar in was. Toen hij al die kostelijkheden zowel van kleren als juwelen gezien had, heeft hij ze niet willen plunderen en er ook niets van aan enige van zijn dienaren willen geven. Een hoveling die daarbij stond en dit noteerde, heeft tot de koning gezegd: Uwe majesteit zal believen te verstaan dat de koning van Portugal niet heeft nagelaten als vrijbuit alles te nemen waar hij aan kon en dat aan uwe majesteit of enige van uw onderdanen toebehoorde, en wilt uwe majesteit dan nu zo hoffelijk met hem omgaan? Hierop heeft de koning geantwoord: Al wat ik van mijn kozijn de koning van Portugal wens, dat is om van hem alle slechte concepten en opinies af te nemen, en niet de gewaden van zijn persoon.

(105) Een Aartsbisschop van Granada zei op een dag tot een Aartsbisschop van Toledo dat hij hem verwonderde dat, aangezien hij zo een grote prelaat was, hij nochtans in eigen persoon dagelijks in Godshuizen en Gasthuizen wilde gaan en zich inspande om daar de zieken aan te raken en te bedienen. Verwonder u daar niet over, antwoordde de goede Aartsbisschop, maar overdenkend wat een goede herder behoort te doen moogt ge u meer verwonderen over de vele goede werken die ik ongedaan laat.

(106) Don Frederico de Toledo hertog van Alva kreeg het verzoek van een edele vrouw die weduwe was om wat te geven om haar dochter ten huwelijk te besteden. Hij heeft daar gewillig mee ingestemd en zijn schatbewaarder opgedragen om haar een som kronen te geven. Omdat hij de hertog slecht had verstaan heeft de schatbewaarder haar een grotere som gegeven dan opgedragen. Toen hij daarna kwam om zijn rekening te tonen is de hertog het gewaar geworden en heeft gezegd: Ik gaf u opdracht maar zoveel te geven. De schatbewaarder had geen andere keuze dan te zeggen dat hij de hertog slecht verstaan had. Nee, zei de hertog, ik dank Onze Lieve Heer dat hij u beter voorzien heeft van oren dan mij van een tong.

(107) Don Juan de eerste hertog van Medina Sidonia werd erop gewezen door zijn schatbewaarder dat zijn uitgaven zeer excessief waren en de giften die hij gaf veel te groot. Daarop heeft hij geantwoord: Ik wil de eer van mijn huis aan de wereld kenbaar maken niet door het bezitten van veel goed maar door het uitgeven van veel goed.

(108) Een klein bemiddelde edelman in Spanje had een zeer mooi paard van jongsaf opgevoed in de hoop daarmee mettertijd zijn profijt te doen. Toen nu het paard tot volwassen jaren gekomen was heeft hij ernstig doen zoeken waar hij het best mocht verkopen. Ten slotte begreep hij dat hij het aan niemand beter zou kunnen verkopen dan aan de hertog van Infantalgo. Toen is hij naar deze hertog met het paard gaan rijden maar doordat hij het paard in de grote hitte te zeer afmatte en het paard zulke afmatting niet gewend was, is het paard op de weg neer gevallen en gestorven. Toen deed de edelman  het vel ervan afstropen en ging verder met het vel naar de hertog en toonde hem het vel van dit schoon paard dat hij hem zogezegd wilde brengen. De hertog vroeg hem hoeveel het paard waard was. De edelman noemde een goede som kronen. De hertog deed hem nog eens zoveel tellen en zei hem dat hij het hem gaf opdat hij voortaan beter acht zou nemen dan zo’n schoon paard onder zijn handen te laten sterven.

 

9.       Van vrekken en van gierigheid

(109) Iemand die zeer vrijgevig was in beloven maar zeer spaarzaam om zijn beloften te voldoen, beloofde aan iemand die wel zijn beloften wist te houden, een goede beloning voor iets dat hij voor hem zou doen. Ik bedank u mijn Heer, zei de andere, en ik zou ook niet twijfelen of gij u beloften zoudt voldoen als daadwerkelijk de snoeren van uw beurs aan uw mond hingen.

(110) Iemand werd gevraagd wat een van de grootste zotheden van de wereld was. Dat is, zei de andere, een oude rijke man die gierig is, want wetende dat hij niet lang leven kan om zoveel te verteren als hij heeft en hebbende ook genoeg om achter te laten voor zijn kinderen, waarom is hij dan zo vrekkig en gierig om meer te vergaren?

(111) Een miserable vrek die zeer zelden iemand bij hem te gast had, heeft op een dag een persoon van kwaliteit bij hem als gast uitgenodigd en hem heel slecht getrakteerd. Maar hij wilde zichzelf excuseren, zeggende dat hij hem trakteerde als een familiaire vriend en niet als een vreemde. Voorwaar, zei de genodigde persoon, ik had niet gedacht dat wij zo familiaire vrienden geweest waren.

 (112) Iemand die een gast uitgenodigd had zei tot hem, als zij tesamen aan tafel zaten, dat hij zeer weinig wijn dronk en als niemand meer wijn dronk dan hij de wijn heel goedkoop zou zijn. Nee, zei de andere, hij zou duur zijn want ik drink zoveel wijn als mij geschonken wordt.

(113) Iemand die rijk en gierig was had een kalkoenpastei doen bakken welke hij dikwijls op tafel deed komen maar liet dit altijd weer onaangeroerd weggaan. Op een dag toen hij gasten had riep hij zijn knecht dat hij de kalkoenpastei zou halen. De knecht die met andere dingen bezig was heeft het vergeten. Toen nu de kalkoenpastei niet tevoorschijn kwam was de heer zeer boos op zijn knecht en vroeg hem waarom hij die pastei niet gebracht had. Ik dacht mijnheer, antwoordde hij, dat de pastei de weg wel vanzelf wist om hier te komen want hij heeft hem zo dikwijls over en weer gegaan.

(114) Cecilius, de secretaris van Elisabeth koningin van Engeland, liet een schoon paleis bouwen. Voor de oveereenkomst van architectuur waren vooraan aan de straat in de gevel twee poorten: de ene was een blinde poort of maar een manier van poort daarin geschilderd en de andere was een echte poort. Toen dit paleis gebouwd was kwam daar onder andere iemand naar kijken die wat zwakzinnig was. Toen vroeg hem iemand waarom dat hij dacht dat de twee poorten gemaakt waren. Ik zal u zeggen, antwoordde hij, de giften en gaven die aan mijnheer de secretaris gebracht worden die draagt men langs deze poort (wijzende naar de echte poort) en de almoezen die hij aan de armen geeft die worden langs deze poort uitgedeeld, wijzende op de geschilderde poort die geen poort was.

(115) Een grote heer zond een van zijn dienaren met grote spoed te paard om een zaak. De knecht volgens de opdracht die hij had heeft hem zozeer gehaast dat hij het paard dood reed. Toen hij weer thuis kwam en de heer begreep dat het paard dood was, heeft hij de knecht vijftig kronen doen betalen voor het paard, zeggende dat het paard honderd kronen waard was maar dat hij tevreden was om hem de andere vijftig kronen te vergeven als loon of vergoeding. Ik weet niet, zei de knecht, op welke manier ik mijn heer daarvoor bedanken zal, aangezien het noch loon noch almoes is.

(116) Iemand klaagde zeer dat alle schouwen in zijn huis geweldig zeer rookten en dat hij daardoor half blind geworden was, maar hij wilde geen raad daartegen. Toen zei degene tegen wie hij klaagde: Doe zoals ik doe en gij zult wel van de rook bevrijd zijn. Och lieve vriend, zei de andere, en wat mag het dan zijn dat gij doet? Ik, antwoordde hij, stook nooit meer vuur en zo heb ik nooit meer rook.

(117) Iemand zag een zeer rijke man s’avonds achter zijn huis gaan met een lamp in de hand om hemzelf te belichten. Toen vroeg hij hem of zijn beurs hem geen beter licht kon gunnen. Deze lamp, zei de vrek, gunt mij licht genoeg om mijn rijkdom te berekenen als het jaar om is.

(118) Een student was uitgenodigd op een maaltijd. Die hem uitnodigde sneed hem een heel dun stuk kaas. Toen de student dit zag heeft hij terstond een van zijn vingers voor zijn mond gehouden. Toen hem werd gevraagd waarom hij dat deed, zei hij, uit vrees dat het stuk kaas door zijn adem mocht wegvliegen.

(119) Een zeer vrekkige persoon zei tot zijn knecht dat, als het hem beliefde, hij wel kon tonen dat hij ook van goeden huize was zowel als een ander. Och, zei de knecht, spreekt daar niet van want het zou de mensen des te meer met uw gierigheid doen spotten.

(120) Iemand gaf drie schellingen voor een koppel patrijzen. Hoe, zei een vrek die bij hem was, mij dunkt dat gij het wel bont durft maken. Zeg eens, zei hij die de patrijzen gekocht had, als het koppel patrijzen te koop geweest was voor drie stuivers, zoudt gij ze dan durven kopen? Och ja, zei de vrek, want dat was een redelijke koop geweest want men weet dat patrijzen voor zulk een prijs niet te krijgen zijn. Maar aangezien gij meent dat ik het zeer bont heb gemaakt om drie schellingen te geven voor een koppel patrijzen, weet dat ik drie schellingen even weinig acht als gij drie stuivers acht.[1]

(121) Iemand van wie gedacht werd dat hij een rijke vrek was, kwam te sterven. Na zijn dood heeft men gevonden dat hij maar klein bemiddeld was. Toen dit aan iemand gezegd werd die hem in zijn leven gekend had, zei die daarop: Voorwaar ik heb me zeer vergist want ik had nooit gedacht dat hij zulk een man met eer was.

 



[1] Een schelling is een oude zilveren Nederlandse munt die een waarde had van zes stuivers.

10.  Van verliefden, vrijages en huwelijken

(122) Een bediende van een juffrouw had lange tijd met haar gesproken zonder haar zijn liefde in platte woorden te kennen te geven. Ten slotte heeft hij de moed bijeengeraapt om haar in platte woorden te zeggen dat hij haar een lange tijd zeer bemind heeft maar hij had het haar nooit durven te kennen geven. Is het mogelijk mijnheer, zei zij, voorwaar had gij mij dit direct te kennen gegeven, had gij niet meer geriskeerd te verliezen dan gij nu doet…

(123) Een edelman in het gezelschap van veel juffrouwen maakte hen wijs dat hij het geluk van eenieder in de hand kon lezen. Een juffrouw daar tegenwoordig waarvan hij de dienaar was stak terstond haar hand uit om te zien wat hij haar daaruit zeggen wilde. Toen hij haar hand bezien had, vroeg ze hem wat hij daar al in zag. Och juffrouw, zei hij, ik zie hier wat vreemds dat mij zelf ook aangaat. Wat is dat, vroeg zij. Och juffrouw, zei hij, ik zie hier dat mijn eigen geluk in uw hand gelegen is.

(124) Een wijze verliefde kwam met zijn citer en speelde en zong voor het venster van zijn allerliefste. Zij was erg boos om zijn zotheid en heeft hem uit haar venster stenen naar het hoofd geworpen zodat de verliefde er vandoor moest gaan. De volgende dag was hij in grote droefenis en beklaagde zich bij zijn goede vriend over de grote ongunst van zijn maitresse. Maar is het mogelijk, zei zijn goede vriend, dat gij u over zulke zaken zou kwellen? Wat groter eer kon u tebeurt vallen dan dat de stenen naar u vlogen om uw spel te horen zoals zij deden bij Orpheus.[1] Toen de verliefde op deze reden gelet had was hij meer tevreden.

 



[1] De mythologische figuur Orpheus kon zo mooi spelen en zingen op zijn lier dat hij zelfs de stenen in beweging bracht.

(125) Een verliefde huurde een muzikant om ’s avonds te komen spelen en zingen voor het venster van zijn allerliefste. De muzikant kwam en speelde. De verliefde stond een beetje terzijde en luisterde. Op het laatste verzocht hij hem ook te zingen. Zo begon de muzikant een amoureus liedje te spelen dat luidde alsvolgt:

          Schoon juffrouw die ik zeer wil bemin,

          Gij staat zo vast in mijn zin.

Toen de verliefde dit hoorde liep hij naar de muzikant toe en joeg hem weg vandaar, zeggende: Ik zal u wat leren, gij stuk schelm, dat gij hier mijn allerliefste komt opvrijen.

(126) Een edelman kwam voorbij onder het venster van een juffrouw van wie hij de dienaar was. Zij spuwde onverwachts uit het venster op hem en naar buiten kijkend zag ze welke fout ze gedaan had en vroeg hem pardon. Juffrouw, antwoordde hij, een visser die maakt zich wel nat om een klein visje te vangen en zo mag ik wel een beetje nat zijn om een schone zalm te vangen zoals ik hoop te doen.

(127) Een jonge verliefde vroeg raad aan iemand die in zulke zaken ervaren was, hoe hij doen moest om de eerste keer het hof te maken aan een dame. Ik zal u zeggen, zei de andere, indien gij maar de eerste keer zegt dat gij haar zeer bemint, dan zal de duivel, die het vuur het eerst ontstoken heeft, u wel verder helpen met de rest.

(128) Iemand vertelde aan zijn goede vriend dat een van zijn goede kennissen een vrouw getrouwd had die zeer rijk en zeer lelijk was. Daarop zei de andere dat hij de vrouw  genomen had naar het gewicht en zonder het fatsoen.

(129) Een rijke koopman vroeg op een smadelijke wijze aan iemand die pas getrouwd was waar hij aan zulke rijke weduwe geraakt was. Welnu, antwoordde de andere, juist gelijk  iemand als ik aan uw vrouw geraken kan als gij dood zijt.

(130) Twee jonge mannen vrijden samen met een dochter. De ene was arm en de andere was rijk. De vader van de dochter gaf ze aan de arme vrijer. Gevraagd waarom hij dat deed, heeft hij daarop geantwoord dat hij dat gedaan had omdat de arme jongeling verstandig en geschikt was, en opviel door zijn ijver rijk te worden, en dat de andere maar een lomperd was die in korte jaren alles zou verteren dat hij had.

(131) Karel de zevende koning van Frankrijk was zeer vermaard om zijn wijsheid. Hij werd eens door de Prins van Nevers gevraagd of een wijze man zou mogen huwen. De koning vroeg hem welke mening hij van hem had. De mening, zei de Prins, die allen die uwe majesteit kennen hebben van u, teweten dat uwe majesteit zeer wijs en verstandig is. Weet dan ook, zei de koning, dat ik gehuwd ben.

(132) Er waren in een stad twee zusters, de ene was lang en groot, de andere was kort en klein. De kortste kreeg vrijage en huwde. Degene die deze dochter getrouwd had werd van zijn vriend gevraagd waarom dat hij niet de grootste en best voorkomende dochter genomen had, maar wel de andere die zo klein was. Niet zonder reden, antwoordde hij, want van twee slechte dingen is het altijd het best dat men het kleinste kiest.

(133) Een rijke man had een dochter van dertig jaar oud die zeer bedroefd was dat haar vader haar niet van een man had voorzien terwijl hij zijn drie zonen ten huwelijk had besteed. Op een dag nodigde hij zijn drie gehuwde zonen te gast uit. Toen de dochter dit gehoord had heeft zij zeker gemeend dat deze samenkomst van haar vader en haar broers was om te overleggen over haar ten huwelijk te besteden. Na het eten zei haar vader dat hij gezien zijn ouderdom besloten had een uitvaart of begrafenis voor hem te doen maken in zijn parochiekerk. Aan zijn oudste zoon vroeg hij of hij ook wenste daar begraven te worden als hij gestorven was en hij antwoordde ja. Daarna vroeg hij hetzelfde aan de tweede zoon en ook aan de derde die ook allebei ja zegden. En gij mijn dochter, vroeg hij ten slotte, zoudt gij ook daar willen rusten als gij zult komen te sterven. Dat weet ik niet, antwoordde zij, want ik zal mogelijk komen te sterven uit wanhoop en diegenen die zo sterven worden noch in kerken noch in een kerkhof begraven.[1]

 



[1] Hier wordt verwezen naar ‘zelfmoordenaars’ die volgens de regels van de katholieke kerk niet in ‘heilige’ grond begraven mochten worden.

10.  Van zieke mensen en doctors in de medicijnen

(1  (134) Een edelman zond zijn knecht met zijn urine naar een dokter. De dokter bezag het water en zei dat, in zover zijn Heer er niet op lette om zijn remedie op tijd te gebruiken, hij hectiek zou worden, ja ook nog hydropiek zou worden. De goede knecht wiens memorie al even goed was als zijn verstand kwam thuis en werd door zijn Heer gevraagd wat de dokter gezegd had. Och mijn Heer, zei de knecht, hij heeft gezegd dat ik u zeggen zou dat, in zover gij niet op tijd een remedie zoudt gebruiken, gij kon heretiek worden en, als gij er niet goed op let, ook hypocriet.[1]

(135) Een koopman voelde zich onwel en zei tot zijn knecht die hij geroepen had dat hij een wind gehad had. Maar is het mogelijk, zei de knecht, wanneer toch meester, vroeg hij. Me dunkt, zei de koopman, heden morgen omstreeks acht uur toen ik opstond. Voorwaar meester, zei de knecht, rond dezelfde tijd is mij een wind ontsnapt. Ga weg, ga weg gij lomperik, zei de koopman en draag mijn urine bij de dokter. De knecht nam het water en ging ermee naar de dokter. De dokter had de gewoonte om de naam te weten van de persoon die het water had gemaakt. Hij vroeg de knecht wat de naam van het water was. De knecht die de bedoeling van de dokter niet verstond zei dat de naam van het water pis was. Dat weet ik wel, zei de dokter, maar ik bedoel de naam van de persoon die het water gemaakt heeft. Dat is een ander ding, zei de knecht, dat is mijn meester en hij heet zo. Zeg uw meester, zei de dokter, dat het niets anders was dan de wind die hem kwelt en dat hij hem hoeden moet van alle winderige dingen. Ik zal het hem zeggen, zei de knecht en toen ging hij door. Onderweg naar huis begon hij bij zichzelf te vragen: wat zal mijn meester nu zeggen als ik thuis kom? Hij zal mij vragen of ik bij de dokter geweest ben. Ik zal ja zeggen. Hij zal mij vragen wat de dokter gezegd heeft. Ik zal zeggen dat hij gezegd heeft dat hij hem hoeden moet van alle winderige dingen. Dan zal hij mij mogelijk vragen wat winderige dingen zijn. Hoe nu? Toen wist hij niet wat hij doen zou, of hij terug wilde gaan en dat aan de dokter vragen of dat hij verder naar huis zou gaan en onderweg nadenken of hij uit zichzelf kon vinden wat winderige dingen waren. Ten slotte door het goede natuurlijke verstand dat hij had heeft hij het uit zichzelf gevonden. Daar was hij wel blij om aangezien dat hij de moeite gespaard had van terug te gaan. Thuis gekomen heeft zijn meester hem gevraagd wat de dokter gezegd had. Hij zei dat de dokter gezegd had dat het niets anders dan wind was dat hem kwelde en dat hij daarom zich moest hoeden van winderige dingen. En wat zijn dan winderige dingen, vroeg de meester. Meester, zei de knecht, gij moet u hoeden van blaasbalgen, van doedelzakken, van trompetten, van orgels, van schalmeien, van zeilen van schepen en van windmolens. ’t Is goed, zei de meester, ik wist niet dat een zot zich zo snel kon veranderen in een dokter.

 



[1] In de originele tekst staat ‘Etlijck’ en ‘Hydropijck’. Dat laatste verwijst naar hydropsie of waterzucht (vochtophoping in het lichaam). Het eerste is moeilijker te achterhalen. Volgens medisch historicus Jan Godderis verwijst ‘etlijck’ mogelijk naar het Duitse ‘ettich’ of het oud-Engelse ‘etik’; in beide gevallen doelend op uittering met name door koorts (cfr ‘hectisch’). ‘Heretiek’ betekent ketters. 

(136) Een zieke persoon was verboden wijn te drinken waar hij zeer naar verlangde. Wegens de grote moeite liet de dokter het hem toe op voorwaarde dat hij een dronk water daarna zou drinken. Toen de zieke een goede dronk wijn in het lichaam had heeft men hem een glas water aangeboden. Och, antwoordde hij, ik heb nu voorwaar geen dorst.

(137) Een schilder die niet goed schilderen kon en daarom arm was is vertrokken van de plaats waar hij woonde en op een andere plaats gekomen waar hij zich uitgaf voor een dokter. Toen kwam daar op een dag iemand van de stad waar hij gewoond had en die hem kende. Ziende dat hij daar van dokter zijn beroep maakte heeft hij hem gevraagd waarom hij dit ondernomen had. Ik zal u ’t zeggen, zei hij, de fouten van mijn voorgaande werk kon ik niet bedekken en de fouten van het werk dat ik nu doe die bedekt de aarde voor mij.

(138) Er werd eens gepraat aan de tafel van paus Alexander de zesde of doctors in de medicijnen ook noodzakelijk in een land waren of niet, aangezien die van Rome in lang geleden tijden zeshonderd jaar zonder dokter waren geweest en de mensen toen zo lange tijd leefden en zo gezond waren als tevoren en daarna. Nee, zei de paus, zij zijn naar mijn mening zeer noodzakelijk, want als ze er niet waren dan zou de wereld zo zeer vermenigvuldigen dat de ene mens niet zou kunnen leven bij de andere.

(139) Iemand die uitermate ziek was werd van zijn vrienden aangeraden om een dokter te vinden. Och nee mijn lieve vrienden, antwoordde hij, laat mij toch met een goede gelegenheid sterven.

(140) Een dochter die zich zeer onpasselijk vond heeft haar water bij een dokter gebracht van wie zij zeer verlangde dat hij haar de oorzaak van haar onpasselijkheid zou zeggen. Toen de dokter haar water goed bezien had zei hij dat ze goede moed zou moeten hebben want zij zou over enige maanden de oorzaak van haar onpasselijkheid in haar armen hebben.

(141) Toen op een dag een vrouw haar maaltijd met goede spijsen gedaan had heeft zij zoveel rauw fruit daarop gegeten dat ze heel onpasselijk was en de dokter ontbood die haar een remedie gaf om over te geven. Daardoor gaf zij ook al de goede spijzen mee over. Beziet, zei zij, daar wordt de deugd samen met de ondeugd gestraft.

(142) Een dokter deed een hoefsmid bij hem komen om zijn paard een drank te geven. Toen de hoefsmid dat gedaan had wilde de dokter hem een gulden geven maar de smid heeft het geld geweigerd zeggende dat degenen die van hetzelfde vak zijn geen geld van elkaar behoren te nemen.

(143) Een kwakzalver die met zijn knecht buiten te paard reisde begon onderweg schrik van dieven te hebben. Hij zag ten slotte een deel volk van verre komen en deed zijn knecht vooruit rijden om te zien wat volk het zijn kon. Toen de knecht vernomen had wat daar schuilde deed hij een teken aan zijn meester dat hij terstond zou omkeren hetgeen hij ook op zijn best deed tot hij aan een afspanning in een dorp kwam en daar achterhaalde de knecht hem. Och wat schuilt daar, wat schuilt daar knecht, zei de dokter. Och meester, zei hij, een zaak die zeer gevaarlijk is. Daar zijn enige officieren die iemand leiden om hem het hoofd af te doen hakken en die heeft maar één man omgebracht, en ik deed het zodat gij niet in gevaar zoudt zijn daar te passeren, gij die er zoveel om de hals geholpen hebt.