12. Van advocaten en van processen

(144) Een arme blinde man die van lijf en leden groot en sterk was kwam overeen met een arme kleine kreupele mens die wel kon zien om tezamen te gaan bedelen op voorwaarde dat de blinde de kreupele op zijn rug zou dragen. Toen zij nu tezamen op weg gingen zag de kreupele een schone oester op de aarde liggen die ieman had laten vallen. En hij zei tot de blinde dat hij neder bukken zou en tasten op de aarde aan de linker zijde en hij zou de oester vinden. De blinde deed alzo en hij kreeg de oester. Toen hij die oester had, zei de kreupele: geef mij die want die hoort mij toe, ik heb ze gezien. Ja, zei de blinde, al hebt gij ze gezien gij kon ze niet oprapen. Meteen viel daar tussen die twee een groot dispuut aan wie de oester rechtelijk toekwam. Ten slotte zag de kreupele daar gelukkig een advocaat aankomen. Ik weet ons nu geholpen, zei de kreupele, daar komt een licenciaat in de rechten die zal ons wel zeggen wie van ons beide recht heeft. Toen heeft hij de advocaat gegroet en hem de zaak te kennen gegeven. De advocaat had hun beide gehoord en de zaak zeer goed verstaan: ik zal u, zei hij, uit deze moeilijkheid snel geholpen hebben. Waar is hier de oester, laat ze mij zien. De blinde overhandigde hem de oester. ‘t Is zeker een zeer schone oester, zei hij, en daarop nam hij zijn mes, deed de oester open en at ze op. En hij gaf de blinde en de kreupele elk een schelp.

(145) Een boer kwam bij een advocaat en legde hem zijn zaak uiteen opdat hij hem daarin raad zou geven. Omdat hij zijn raad wenste heeft de advocaat hem raad gegeven maar de boer gaf de advocaat geen geld. Toen vroeg de boer aan de advocaat of hij ook dacht dat zijn zaak goed zou gaan. Ik weet het niet, zei de advocaat. Dat is vreemd, zei de boer, dat gij dat niet weet aangezien dat gij bekend hebt dat ik recht heb. Maar, zei de advocaat, men kan geen lamp doen branden zonder olie.

(146) Een boer ging naar de stad om het proces te volgen dat hij daar had. Onderweg zag hij veel volk hem tegemoet komen met de rechter die een dief naar de galg voerde. En toen de boer de dief zag zei hij tot de dief: Och mijn vriend, hoe gelukkig zijt gij dat gij nu van alle processen ontslagen zijt.

(147) Een oude weduwe die een ezelin had die haar lange tijd goede dienst had gedaan belastte haar testamenteurs dat als zij kwam te sterven de ezelin na haar dood geen arbeid meer mocht doen maar steeds in de stal of in de wei zou zijn. Zij verordende ook dat men elke avond een zeker hoeveelheid haver aan de ezelin zou geven zolang als de ezelin zou leven en daartoe beval zij ook een zekere som geld.En toen is zij gestorven en kort daarna is ook de ezelin komen te sterven. De zoon van de oude weduwe die van deze ezelin een veulen had verlangde van de testamenteurs elke nacht de hoeveelheid haver te hebben als tevoren. De testamenteurs hebben hem dat geweigerd en toen is hij bij een advocaat gekomen om te weten of hij recht had om tegen de testamenteurs te procederen. De advocaat zei dat hij van advies was dat hij recht had want naar alle reden behoorde het veulen van de ezelin erfgenaam te zijn van hetgeen dat zijn moeder de ezelin toebehoorde zoals hij van hetgeen zijn moeder had toebehoord. Door deze raad kreeg de advocaat werk maar de zoon van de weduwe kreeg geen haver.

(148) Enige boeren die een proces hadden zonden een boer die kreupel en krom was naar de stad om voor hen het proces te volgen. Toen hij bij de advocaat kwam en de advocaat hem bezag, vroeg hij hem of die van het dorp hem voor de geschiktsten persoon hielden die zij konden vinden. Voorwaar mijn Heer, zei de boer, dat weet ik niet maar zij hebben mij bekwaam genoeg geacht om bij u te komen.

(149) Een jonkvrouw genaamd jonkvrouw de Pauw had een proces tegen een advocaat genaamd de Kock. Gedurende het proces placht de advocaat dikwijls te zeggen dat hij hoopte haar schone pluimen nog te plukken. De weduwe heeft nochtans op het laatste het proces gewonnen en toen zij de advocaat daarna tegemoet kwam zei zij dat zij blij was dat een schoon gepluimde Pauw niet onder de handen was gekomen van een vuile Kok.

(150) Iemand die werd gevraagd wat het verschil of onderscheid was tussen een makelaar en een procureur, heeft daarop geantwoord dat de ene zijn middelen haalde uit akkoord en de andere uit tweedracht.

13. Van ruzies, beledigingen en weerwraak

(151) Iemand die een ruzie had heeft een middel gezocht om enige moedigen te hebben om hem bij te staan. Toen er ten slotte twee gevonden waren die hun dienst voorstelden, zag hij dat ze allebei littekens in hun gezicht hadden van kwetsuren. Toen wilde hij dat zij hem zouden tonen hoe hij diegenen vinden kon die hun die kwetsuren hadden gegeven.

(152) Een Duitser die een ruzie had met een ander zwoer bij veel sacramenten dat hem zou doorsnijden, doorhakken en doorhouwen. Maar mijn vriend, zei iemand die hem zo hoorde spreken, uw vijand is een kloeke kerel en hij zal zich dapper weren. Potverdorie, zei de Duits, das hat ich vergessen.

(153) Een edelman die zijn middelen verkwist had daagde een andere edelman uit om met hem te vechten, welke edelman zijn kozijn al vechtende had doodgeslagen. Hoort, zei deze edelman tot degene die daar bij waren, deze kameraad (doelende de edelman die hem uitdaagde) heeft al zijn middelen verkwist en is door wanhoop zijn leven moe en daarom had hij graag dat ik hem zou dood steken zoals ik met zijn kozijn gedaan heb. Maar dat wens ik niet te doen tenzij dat hij eerst naar het gerecht gaat en mij op voorhand een vergeving verkrijgt omdat ik wel indachtig ben welke grote moeite het mijn vrienden gekost heeft om naderhand een vergeving te verkrijgen toen ik zijn kozijn had doodgestoken. Maar ik beloof hem hier voor al dit gezelschap dat als hij mijn vergeving vooraf verkrijgt, ik hem dan niet de vriendschap zal weigeren om hem ook dood te steken.

(154) Een zekere persoon zag een persoon, die bekend was zeer nijdig te zijn, dat hij neerwaarts naar de grond stond te kijken alsof hij heel ontevreden was, en zei tot een die bij hem was: ik bemerk aan de manier van die persoon dat enig ongeluk hem is overkomen of enig goed geluk is iemand anders geschied.

(155) Een zonderling passeerde voorbij een pachthof. De hond van de pachter is hem aangevlogen en heeft zijn mantel gescheurd. Toen hij de volgende dag weer daar voorbijkwam en de pachter in zijn deur zag staan riep hij naar hem: Hola pachter, of bind uw hond vast of kus hem onder zijn staart. De pachter antwoordde daarop, aangezien hij het aan zijn eigen keuze gesteld had, wat hij zou doen. Toen wilde hij hem gaan vastbinden, hetgeen hij ook deed.

(156) Een rover in Engeland, waar men alle rovers ophangt, kreeg nochtans zoveel genade dat hij maar veroordeeld was om gegeseld te worden. Toen de beul in de kerker bij hem kwam voor hij hem uitleidde om gegeseld te worden, gaf hij de beul een stuk goud omdat hij wilde dat hij hem toch niet hard zou slaan maar zo veel mogelijk zou bevoordelen. De beul nam het stuk goud en beloofde hem dat hij aldus zou doen. Toen de rover nu ter plaatse gebracht was waar hij moest gegeseld worden en daar ontkleed en vastgebonden was, ging de beul zo tekeer dat hij bloed haalde met de eerste slag. Wel, zei de rover, is dat bevoordeling, heb ik u niet een stuk goud gegeven en hebt gij mij ook niets anders beloofd. Wel gij schelm, zei de beul, zult gij hier spreken tegen de uitvoering van de justitie, en toen sloeg hij er dapper op los. Toen de justitie gedaan was en de rover was losgemaakt zei hij tot de beul: ik beloof u ik zal u dit te pas brengen en toen ging hij door. Enige maanden later moest hij weerom in de zelfde stad voor de rechtbank verschijnen. Toen kwam de rover daar met zijn haar en baard geschoren en in fijne kleren heel veranderd zodat hij een heel degelijk persoon scheen. Dan gaat hij heel dicht naast een van de heren van de wet staan en trekt hem met grote behendigheid zijn beurs uit zijn zak en gaat daarna heel dicht naast de beul staan die daar ook tegenwoordig was. Hij steekt hem met grote behendigheid de beurs in zijn zak. Toen hij dat gedaan had gaat hij bij de heer uit wiens zak hij de beurs genomen had en vraagt hem of hij niets verloren had. Niet dat ik weet, antwoordde hij en tastte daarbij in zijn zak en miste zijn beurs. Och, zei hij, ik heb mijn beurs verloren. Dat geloof ik wel, zei de rover, want ik heb gemerkt dat de beul zijn hand uit uw zak getrokken heeft. Dat men hem terstond met die dienaars zou vatten en zijn zakken onderzoeken, ik geloof dat gij weer aan uw beurs zoudt geraken. De heer deed dat zo doen en zijn beurs werd in de zak van de beul gevonden. De beul zwoer dat hij niet wist hoe de beurs daar gekomen was maar het baatte hem niet. Men ging hem direct boeien aan de benen doen en zetten hem onder de andere misdadigers.

Dit gedaan zijnde zo spoedde de rover zich van daar en ging terstond zijn haar en kaken doen scheren en zijn tronie wat vuil en lelijk maken, en heel slechte klederen aandoen. En zo kwam hij en liet de Heren weten dat, aangezien hun beul dieverij bedreven had en in afwachting was daarom te sterven, hij de Heren wel zou willen dienen in zijn plaats. De Heren die niet voorzien waren van een andere beul hebebn hem aangenomen. De andere beul, vermits hij op het feit (zo meende men) betrapt was, is met andere misdadigers verwezen om te sterven. Toen de nieuwe beul de oude beul op de ladder had en de strop om de hals en vast aan de galg gebonden, vroeg de nieuwe beul aan de oude of hij hem niet kende. Och nee, zei de oude beul, ik heb u voor zover ik herinner van mijn leven niet gekend. Weet gij niet, zei de nieuwe beul, dat gij eens iemand geselde die u een stuk goud gaf om hem te bevoordelen en dat gij hem in tegendeel zo wreed geselde als hij kon. En hij zwoer dat hij u dat te pas zou brengen en nu vraag ik u, of ik u dat niet te pas heb gebracht? Dat horende riep de oude beul naar de rechter en zei: hoort eens mijn Heer wat hij mij hier zei. Wel gij schelm, zei de nieuwe beul, moet gij hier bij de executie spreken van de Justitie. En daarmee wierp hij hem van de ladder af, trapte hem in de hals en spoedde zich weg. De nieuwe beul heeft dit zo bekend toen hij daarna om een ander feit voor de rechtbank kwam.

 14. Van poëten en van schilders

(157) Paus Clemens Septimus had onder de dienaren van zijn hof een Duitse dichter in dienst die de titel voerde Archipoeta, als boven alle andere verheven. Op een dag zat de Paus aan een maaltijd en zei tot de Archipoëet die daarbij was dat hij snel een paar verzen zou maken en voordragen. Om zijn kunst te tonen heeft de dichter tersond het volgende vers voorgedragen: Archipoeta parat versus pro mille poetis. Toen de Paus die hoordde heeft hij direct geantwoord met dit vers: Et pro mille viris Archipoeta bibit. Hiermee gaf hij te kennen dat de Archipoëet een uitnemend grote dronkaard was. Om zijn gebrek te excuseren heeft de Archipoëet geantwoord met het volgende vers: Vina parat animos faciunt & versibus a pros. De Paus repliceerde hierop als volgt: Et tentant nervos, debilitantque pedes. Daarmee gaf hij te kennen, en wees met de vinger, dat de Archipoëet zo vol jicht zat dat hij moeilijk op zijn benen kon staan.[1]

(158) Iemand vroeg waarom keizer Nero de dichter vreesde en God niet. De gevraagde antwoordde: dat was omdat hij zijn faam meer achtte dan zijn ziel.

(159) De Engelse poëet Spenserus kwam ten huize van de Cavalier Sidney en gaf een van zijn pages enige verzen om aan hem te presenteren.[2] Toen de Cavalero zag dat de verzen zeer excellent waren zo gaf hij opdracht dat hij de poëet honderd gulden zou geven. De schatbewaarder bleef staan in de mening dat zijn Heer zich vergist had en wilde daarom wachten op een klaarder bericht. De Cavalier die al verder las en vond dat de verzen zeer excellent waren, keek op en zag dat hij daar nog was, en vroeg hem waarom dat hij niet gegaan was om hetgeen te doen dat hij hem had bevolen. Ik twijfelde, antwoordde hij, of mijn Heer verkeerd mocht wezen in mij op te dragen de poëet honderd guldens te geven. Dat is toch waar, zei de Cavalier, ik was wat verkeerd; gaat en geef hem tweehonderd gulden. Mijn Heer, antwoordde hij, het schijnt maar een slechte kerel te wezen want hij is maar slecht gekleed. Is hij maar slecht gekleed, zei de Cavalier, wel gaat dan en geef driehonderd gulden en zeg hem dat hij zich beter gaat kleden en dat hij dan bij mij in het Hof komt dat ik hem daar mag promoveren.

(160) Iemand die onderzoeken wilde welke kunst in een poëet stak heeft hem bij wijze van raadsels de volgende vragen in dichtvorm gevraagd.

Zeg mij (mijn vriend) de klare waarheid bloot,

Welk van deze vier is in grootste nood:

Tussen twee wolven een schaap,

Tussen twee geuzen een paap,

Tussen twee katten een muis,

Of tussen twee kleermakers een luis?

Hierop heeft de poëet ex tempore, dat is terstond, geantwoord:

Wolven zijn wreed in het verscheuren van schapen.

Geuzen zijn kwalijk in het aanpakken van papen.

Katten zijn snel in het vangen van muizen,

Maar kleermakers moorddadig in het ombrengen van luizen.



[1] De Archipoëet die voor 1000 dichters verzen kon maken maar volgens de paus ook voor 1000 kon drinken zou Camillo Querno geweest zijn, de hofdichter van paus Leo X (1475-1521), neef van de latere paus Clemens VII (1478-1534).

[2] Het gaat hier om de Engelse dichter Edmund Spenser (1522-1599) die bevriend was met de artistocraat en dichter Philip Sydney (1554-1586).

 

 

(161) Poëten en schilders, zei iemand, hebben privilegie om te versieren, maar wiens privilegie is het sterkste vroeg een ander. Dat van de schilders, antwoordde de ander, is zo sterk niet als dat van de poëten want de werken van Apelles[1] zijn lang versleten, maar de werken van Homerus die duren tot de dag van heden. Maar de schilders, zei een andere, worden rijker dan de poëten. Dat komt, antwoordde iemand daarop, door de onwetendheid van de waardeerders van hun werken die het best de werken betalen die het minste willen duren. Maar nochtans kreeg de poëet Hiarnus het koninkrijk van Denemarken door acht verzen die hij schreef,[2] en ik heb nooit geweten dat enig schilder zoveel als een graafschap heeft gekregen door acht taferelen te schilderen.

(162) Een kardinaal klaagde bij de paus Clemens Septimus dat zijn schilder Michelangelo Buonnaroti in een schilderij van het laatste oordeel hem afgebeeld had zittende in de hel, en wenste dat hij wilde bevelen dat het veranderd zou worden. Toen heeft de paus hem daarop geantwoord: ik zou wel een ziel uit het vagevuur mogen verlossen, maar mijn autoriteit strekt zover niet als om iemand uit de hel te verlossen.

(163) Een edelman die niet van de slimste was kwam bij een schilder en kwam met hem overeen om voor hem een kasteel te schilderen en in het kasteel een bassende hond en buiten aan de poort een man in harnas met een hellebaard.[3] Als de schilder dit tafereel geschilderd had naar best vermogen, bracht hij het thuis. De edelman aanschouwde het en vond er geen hond op. Hij heeft gevraagd waar de hond was. Hij is binnen in het kasteel, zei de schilder, want hij durft niet buiten komen uit schrik voor de gewapende man met de hellebaard. Maar ik hoor hem niet bassen, zei de edelman. Dat geloof ik wel, zei de schilder, want hij is vast bezig onder de tafel aan een been te knagen.

 



[1] Hofschilder van Alexander de Grote en beschouwd als de grootste schilder uit de Griekse Oudheid.

[2] Na de dood van Frotho II, koning van Denemarken, kreeg (volgens de legende) Hiarnus zijn troon omdat hij het beste grafschrift had geschreven, maar hij zou gedood worden door Frotho’s zoon.

[3] Een hellebaard is een wapen dat bestaat uit een lange houten stok met een ijzeren punt en daaronder een bijl en een haak.

15. Van Geus-gereformeerde predikanten, of Calvinistische dienaren van het woord

(164) Een zoon van een overleden boer in een dorp gelegen onder de geus-gereformeerden is in proces gekomen met enige van zijn verwanten en heeft voor de wet waar hij onder terecht stond zijn vaders testament moeten tonen. De klerk of griffier die het testament zou lezen raakte er helemaal niet aan uit, zo slecht was het geschreven en daarom vroeg hij aan de jonge boer welke krabbelaar dat geweest was die dat testament geschreven had. Met deze vraag was de boer zeer te schande gemaakt en verstoord en heeft hem stout gezegd: maakt gij maar een krabbelaar van de persoon die dit geschreven heeft; ik zeg u vrij dat hij meer geld met schoenen lappen gewonnen heeft eer dat hij Dienaar van het Woord op ons dorp geworden is dan dat gij waard zijt.

(165) Een Dienaar van het Woord op een dorp predikte over Adam en hoezeer dat hij gezondigd had met de appel te eten. Ten slotte vroeg hij met sterke stem waarom dat Adam de appel at. Daarna vroeg hij het zelfde wederom met een heel sterke stem. Een boerenknecht die recht voor de preekstoel stond, bemerkend dat de predikant dat nu tweemaal gevraagd had terwijl hij sterk naar hem keek, meende dat de predikant het aan hem vroeg. Toen de predikant het de derde keer vroeg deed de knecht zijn hoed af en stak zijn been uit en zei: ik zou wel menen Mijnheer dat het geweest is omdat hij geen peren kon krijgen.

(166) Een geus-gereformeerde woorddienaar kwam op de preekstoel en heeft gezegd dat hij van mening was zijn sermoen in vierendertig delen te verdelen, maar vermits hun memorie, zo vreesde hij, zoveel delen niet kon onthouden had hij al deze vierendertig delen gereduceerd tot vier delen, te weten: waartoe dat Christus gekomen was, tot wat doel Christus gekomen was, door welke oorzaak dat Christus gekomen was en waarom dat Christus gekomen was.

(167) Een rijke pachtersvrouw die ziek te bed lag heeft een woorddienaar ontboden om haar te troosten. Toen hij haar getroost had en enige raad had gegeven gelastte de vrouw haar meisje om hem de vetste kapoen te geven die ze had, hetgeen het meisje ook deed en de woorddienaar ook apprecieerde. Kort daarna is deze zieke vrouw goed en wel geworden en toen zij haar vetste kapoen miste was ze vergeten wat zij in haar ziekte gedaan had. Toen vroeg ze haar meisje waar de beste kapoen was. Het meisje antwoordde dat zij die aan de dienaar van het woord gegeven had gelijk zij haar had opgedragen. Ik heb, zei de vrouw, die kapoen dikwijls aan de duivel geschonken en toen ik hem miste vond ik hem altijd weer, maar eens aan de predikant geschonken blijft hij nu achter.

(168) In een dorp in Engeland stond de herberg dicht aan de poort van de kerk zodat degenen die daar zaten konden horen wat de predikant in de kerk predikte. Toen nu de predikant op de preekstoel stond en zijn preek hield hoorde hij ook hoe vrolijk de gasten in de herberg waren. Toen heeft hij gezegd aan zijn toehoorders: Gij goede mannen er is geen reden dat die lieden die daar zitten en drinken deelachtig zouden zijn van ons sermoen en dat wij niet deelachtig zouden zijn van hun goede drank. En met deze reden heeft hij zijn boek gesloten en is in de herberg gegaan zoals ook enige van zijn toehoorders die hem gevolgd zijn zoals goede schapen hun herder behoren te volgen.

(169) Willem van Nassau, Prins van Oranje had zijn geus-gereformeerde predikant naar de stad van Antwerpen gebracht. Toen hij aan tafel zat met enige edelmannen die met hem aten vroeg hij de Heer van Brecht die daar ook was hoe hem deze predikant behaagde. Uitermate wel mijn Heer, antwoordde de Heer van Brecht, en ook met grote reden. Door welke reden, vroeg de Prins. Ik zal u zeggen mijn Heer, antwoordde de Heer van Brecht, deze predikanten zijn hier maar veertien dagen geweest en zij zeggen ons reeds dat er geen vagevuur is en ik hoop dat als zij maar veertien dagen meer hier geweest zullen zijn dat zij ons zullen zeggen dat er geen hel is.

(170) Een Gomarist[1] lag zeer ziek te bed en ontbood een woorddienaar aan wie hij de bekentenis van zijn geloof wilde doen, namelijk dat hij zo zeker geloofde dat hij zalig zou zijn als hij wist dat hij daar in bed lag, want hij voelde dat door een inwendige verlichting van de geest. De woorddienaar heeft zeer de grootheid van zijn geloof geprezen etc. Toen nu de Gomarist sterker is geworden begon de predikant hem te troosten en te zeggen van de grote genade Gods en dat hij Hem aanroepen zou en hem ijverig bidden dat Hij hem zijn zonden zou willen vergeven etc. Hoe, zei de zieke Gomarist, wat hoor ik daar, als ik zo zou doen hoe zou ik mij dan durven betrouwen op de predestinatie. Toen de woorddienaar dit hoorde sprak hij de zieke man toe van iets anders om hem niet te ergeren en liet hem alzo sterven en in de hemel varen, waar de kalfsstaart de klink is.[2]

 


[1] De Gomaristen of contraremonstranten, ook wel Preciezen genoemd, vormden een calvinistische stroming met als voorman de Leidse theoloog Franciscus Gomarus. 

[2] Kalf verwijst naar Calvijn en ‘kalfsteerterije’ naar Calvinisme. Zie W.J.C. Buitendijk, Het Calvinisme in de spiegel van de Zuidnederlandse literatuur der Contra-Reformatie (Groningen: J.B. Wolters, 1942).

16. Van soldaten, vroomheid en lafheid

(171) Een kapitein en een soldaat vochten lijf aan lijf. De kapitein kwetste de soldaat zo zeer in de arm dat zijn zwaard neerviel en zo stond hij overgeleverd aan de genade van de kapitein. Geeft u nu op, zei de kapitein, of gij moet sterven. Dat is dan hoe het mij belieft, antwoordde de soldaat, maar weet dat al is het zaak dat mijn arm mij niet dienen wilt om te vechten, mijn moed wilt liever dienen om te sterven dan op te geven.

(172) De graaf van Cenete[1] was nog jong bij de belegering van Perpignan[2] maar heeft zich nochtans heel dicht bij de vesting gewaagd en is ook heelhuids van daar teruggekomen. Kort daarna zijn twee paardenruiters uit de stad gekomen en toen hij die zag wilde hij terugkeren om tegen van die te vechten, maar zijn leermeester wilde dat geenszins toelaten en heeft gezegd: wacht wat mijn Heer, ik zal eerst voorgaan en snijd een van die ruiters dood. En dan moogt gij komen en snijd hem het hoofd af. Nee, antwoordde de graaf, laat mij een van die ruiters doodsnijden en komt gij daarna en treft hem vanachter.

(173) Iemand vroeg aan een zeer dappere soldaat tegen hoeveel man hij zich durven stellen. Is het zaak, antwoordde hij, dat hij waartegen ik mij zou stellen een vroom man is, dan is hij alleen genoeg, maar tegen een hele straat vol schelmen zou ik me kloek genoeg weten.

(174) Een kapitein gaf zijn soldaat zijn paspoort omdat hij wat kreupel was en niet goed marcheren kon. De soldaat was daarmee zeer ontevreden en zei dat de oorlog diegenen  niet van doen had die konden weglopen maar diegenen die wilden blijven staan.

 



[1] Zenete in de Spaanse provincie Granada.

[2] Vermoedelijk verwijzing naar een opstand tegen het Franse bewind in 1473 welk hardhandig werd neergeslagen na een lange belegering.

(175) Enige geuzensoldaten waren bijeen in Holland en spraken er van de Spanjaarden. Toen was daar een onder hen die zei dat zij de Spanjaarden niet moesten vrezen zolang als zij een Samson bij hun hadden, menende een soldaat die onder hen tegenwoordig was die Samson genoemd was. Dat is waar, zei deze Samson tot degene die dat zei, maar dan moest ik een van uw kaaksbenen hebben en daarmee zou ik tegen de Spanjaarden wat wonderen bedrijven.[1]

(176) Een Moorse koning van Granada genaamd Chiquito[2] gaf dezelfde stad over aan koning Ferdinando na een vergelijk. Vandaar is hij met zijn volk een mijl of twee weg gemarcheerd en toen is hij op een hoge berg blijven stilstaan om de stad te bezien alsof hij daar adieu wilde zeggen. Toen hij de stad bezag begon hij te wenen dat hem de tranen overliepen en zei dat hij beter zijn leven verloren had dan zulk een schone stad. Zijn moeder die daar tegenwoordig was en dit hoorde heeft hem daarop gezegd: Het staat u wel mijn zoon dat gij daarom weent gelijk een vrouw aangezien dat gij het niet verdedigen kon gelijk een man.

(177) Onder een deel Spaanse soldaten die tegen de Moren gingen vechten was een fraaie moyaert[3] die een grote lafaard was. Zo is het gebeurd dat de Spanjaarden verslagen waren en enige knechten of jonkers die daar vandaan liepen brachten het nieuws aan de Generaal dat het merendeel van de Spanjaarden gebleven waren. Toen men dit hoorde zeiden enigen die bij de Generaal waren dat die en die en die dan gebleven zullen zijn. Ja, zei er een, en wie daar ook zal gebleven zijn en hij noemde de fraaie moyaert. Ik wed van niet, zei een oude vrouw die daar tegenwoordig was en dat hoorde, want de Moren eten geen hazenvlees.[4]

(178) Een passagier klaagde aan een kapitein dat zijn soldaten hem beroofd hadden van alles dat hij had. Zeg mij mijn vriend, zei de kapitein, had gij dan dat wambuis[5] aan dat gij daar nu aan hebt? Ja mijnheer, antwoordde de passant. Nu zie ik wel, zei de kapitein, dat het mijn soldaten niet waren want hadden die het geweest zij hadden u zeker dit wambuis niet laten behouden.



[1] De mythologische figuur Samson zou duizend Filistijnen dood geslagen hebben met een ezelskaak.

[2] Mohammed XII Abu Abdallah (El Rey Chiquito: de kleine koning) was de laatste Moorse koning van Granada; hij gaf zich in 1492 over aan de Spaanse koning Ferdinand.

[3] Bijnaam voor een pronker.

[4] Verwijst naar een ‘bange haas’ die snel wegloopt.

[5] Een opgevulde vest.

          17. Van achterdocht, jaloezie en dergelijke

(179) Een boer die het vermoeden had dat een jonge schaapsherder met zijn dochter vrijde kwam bij iemand die de naam had van een waarzegger. Hij schonk hem een koppel kapoenen opdat hij hem de waarheid zou zeggen wat daarvan aan was. De waarzegger nam de kapoenen en daarna nam hij een groot boek en keerde de bladen een tijd over en weer terwijl hij zachtjes tegen zichzelf sprak alsof hij vast bezig was geweest om de duivel te bezweren. Ten slotte nam hij zijn bril van zijn neus, heeft de boer aangekeken en gevraagd hoe oud zijn dochter was. De boer antwoordde dat zij achttien jaar oud was. Toen vroeg hij hoe oud de schaapsherder was. De boer antwoordde dat hij ongeveer vierentwintig jaar oud was. Ja, zei de waarzegger, als het is zoals gij daar zegt dan kan ik niet ontkennen dat het zo wel mag wezen en met dit besluit liet hij de boer gaan.

(180) Een hertogin was jaloers op een zeer schone juffrouw in het gedacht dat zij door haar schoonheid zocht haar man te verleiden en daarom ontbood zij haar op een zekere plaats waar ze haar dacht te vermoorden. De onnozele schone juffrouw die geen achterdocht had van het kwaad dat haar gemeend was is daar gekomen. De hertogin aanschouwde haar grote schoonheid en heeft ze zonder enige schade weer laten gaan zeggende tot haar: uw schoonheid heeft mij overrompeld en ik groet u.

(181) Iemand klaagde tot zijn beste vriend dat zijn huisvrouw hem altijd wilde overtuigen dat hij jaloers was waar hij dit niet was. Toen antwoordde hem zijn vriend dat hij geweten had dat enigen zo deden opdat de mannen (die zich niet jaloers toonden) hen des te stouter familiair zouden laten zijn met andere mannen zodat zij beter kwaad konden doen.

(182) Een vent die zijn huisvrouw altijd opgesloten hield, zoals enige mannen in Italië gewoonlijk doen, werd door een van zijn vrienden gevraagd waarom dat hij zo streng met zijn vrouw leefde. Welke strengheid is dat, antwoordde hij, want waar heeft men ooit enige schatkamer zonder slot gevonden?

(183) Een schurk had bij de vrouw geslapen van een grote vechtersbaas. Toen het aan deze vechtersbaas gezegd werd ging hij naar de schurk en trok van leer. De schurk trok ook van leer en stelde zich tegen de vechtersbaas. Toen deze dat zag, zei hij: zeg mij hebt gij bij mijn vrouw geslapen? De schurk antwoordde ja. Wel zei de vechtersbaas, aangezien dat gij de waarheid bekend hebt zal ik u laten leven, maar had gij dat niet  bekend had ik u voorzeker doodgestoken.

(184) Iemand die zijn buurman tegemoetkwam deed zijn hoed af en groette hem. De andere sprak maar ging door zonder zijn hoed af te doen. Toen zei deze tot iemand die bij hem was: Ocharme de goed knecht durft zijn hoed niet afdoen uit vrees van zijn hoorns te ontdekken, want men had groot vermoeden dat hij een hoorndrager was.

(185) Een oneerlijke hartenbreker kwam bij een zeer schone en eerbaar gehuwde vrouw en toonde haar grote hoffelijkheid in de hoop, zo zei hij, enige vriendschap van haar te ontvangen. Zolang ik nog maagd was, antwoordde de vrouw, ben ik mijn ouders gehoorzaam geweest en nu dat ik gehuwd ben, ben ik mijn man gehoorzaam. En is het zaak dat gij iets eerlijks en redelijks van mij begeert, dan moogt gij dat aan mijn man vragen.

(186) Op een morgen in de winter als de straten heel glad bevroren waren kwam een weduwe van een koopman uit de kerk om naar huis te gaan en is bijna gevallen. Iemand die daar bij was en dit zag heeft haar met de arm genomen en naar huis geleid. De weduwe, zijn beleefdheid aanziend, heeft hem gevraagd van waar dat hij was. Ik ben, zei hij, uit Wallonië. Toen de vrouw dat hoorde wenste zij dat hij aan de andere zijde wilde gaan en hij leidde haar met haar andere arm. Toen hij nu de weduwe tot haar huis gebracht had en zij hem zeer bedankte, wilde hij de oorzaak weten waarom dat zij hem aan haar andere zijde deed gaan zodra hij gezegd had dat hij een Waal was. Gij zult me alstublieft vergeven, zei zij, het was maar door enig wantrouwen omdat mijn beurs aan die zijde hing.

(187) Er was eens in Rome een Joodse jongedochter waar geen wantrouwen ter wereld op haar viel, maar integendeel zich als heel heilig aan de Joodse wet hield. Deze jonge maagd is ten slotte met een kind gevonden. De Joden binnen Rome waar zeer verwonderd maar ook zeer verblijd dat een zo heilige en zuivere maagd een kind had en ze schreven aan hun Hebreeuwse broeders in Constantinopel en elders dat hun lang verwachte Messias weldra in de wereld geboren zou zijn. De Joden van alle plaatsen in grote blijdschap zonden de oppersten van hun synagogen naar Rome tegen de tijd van de geboorte van deze Messias. Toen nu de negen maanden om waren heeft deze heilige reine maagd een dochter ter wereld gebracht, van wie een Florentijn de vader was. Deze had hem zoverre in de gratie van deze heilige maagd gemaakt dat hij de weg wist om ’s nachts bij haar te komen op haar kamer.

18. Van dieven, leugenaars, oplichters en bedriegers

(188) Een dief in Zeeland die verwezen zou worden om wegens zijn dieverij te hangen, heeft beroep gedaan op Gods woord, waarin hij zelf zo tekstvast was dat hij geen advocaat van doen had. Hij wilde weten waar het in Gods woord geschreven staat dat men iemand wegens dieverij ter dood zal brengen. Maar de gereformeerde rechters die op Gods woord willen steunen hebben deze arme appellant tegen zijn geweten verwezen en opgehangen zonder voor hem de bijbel eens open te doen, waardoor dat hij een halve gereformeerde martelaar geweest is aangezien hij hem verlaten heeft op het woord Gods en in tegenstelling tot het woord Gods heeft moeten sterven.

(189) Enige studenten gingen bij nacht in een warande[1] om konijnen te stelen. En zij hebben de jongste student die onder hen was zeer gewaarschuwd dat hij niet luid zou spreken. Op ’t laatste toen hij een deel konijnen bijeen zag toen riep hij tot zijn metgezellen: ecce cuniculi multi[2] en toen de konijnen deze stem hoorden liepen ze terstond allen tegelijk in hun hollen. Zijn metgezellen waren hierom heel boos tegen hem en berispten hem zeer. Wie voor de duivel, antwoordde hij, had kunnen peinzen dat de konijnen Latijn konden verstaan.

(190) Iemand verhaalde het spreekwoord: wijst mij een leugenaar en ik wijs u een dief. Daarop antwoordde een ander dat men nochtans liegen mocht zonder te stelen. Nee, repliceerde de andere, want hij die liegt is de dief van de waarheid.

(191) In een gezelschap in Duitsland waren verscheidene personen bijeen en kwam te spreken van leugenaars. Toen was daar een die zei dat het in de Schriftuur geschreven staat dat de duivel een leugenaar is en de vader van leugenaars. Hoe komt het dan, zei een ander, dat Luther hem zo lange tijd gezelschap wilde houden. Om van hem te leren liegen, zei de derde persoon. ’t Is maar prietpraat, meende de vierde persoon: men zegt veel over hem en dat hij ook heel familiair met de duivel zou zijn geweest, maar wie weet of ’t zo is. Is het niet waar, repliceerde de derde persoon, dan is Luther een leugenaar tegenover hem zelf want hij schrijft dat hij een maat zout met hem gegeten heeft[3] en daartoe moet tijd zijn, want ik geloof niet dat ze samen op een reis de maat zout seffens inslikten.

(192) Toen Thomas More, eertijds kanselier van Engeland, hoorde een grote leugenaar een grote leugen vertellen, zei hij daarop dat het jammer zou zijn dat die persoon zijn geloof zou zeggen in het gehoor van veel personen die hem kenden, omdat enigen mochten menen dat het onwaarachtig was omdat het uit zijn mond kwam.

(193) Een persoon die in gezelschap was prees de grote expeditie van een knecht van zijn kennis die te paard gezonden was geweest om een zekere boodschap en zei dat hij gevlogen had gelijk een boog uit een pijl. Ja ja, zei iemand van het gezelschap die hem zo hoorde spreken, alle dingen laat hem eten en kaas en brood laat hem zeggen.

(194) Een oplichter huurde op een plaats een kamer en de vrouw waarbij hij huurde zei dat ze hoopte dat zij een goede gast aan hem hebben zou. Zoudt ge niet, zei de oplichter, op mijn ziel ik heb nooit in een huis gelogeerd waar de lieden niet droef waren toen ik daar vandaan was. En dat was ook de waarheid, want hij hij ging altijd door zonder de goede lieden te betalen.

 



[1] Een jachtterrein.

[2] ‘Kijk zoveel konijnen’.

[3] Met het gezegde dat ‘hij meer dan een maat zout met de duivel gegeten heeft’ bedoelde Luther dat hij de duivel zeer goed kende. Een maat kan verwijzen naar een tonnetje.

(195) Een oplichter in Engeland kwam bij een beenhouwer en zei dat hij een Nigromanciër[1] was en dat hij door zijn zwarte kunst had verstaan dat een grote schat begraven lag in de aarde op een stuk land dat aan deze beenhouwer toebehoorde en dat bij alzoverre dat deze hem wel betalen wilde en ook wat geld in de hand geven voor de onkosten van zijn bezweringen. Hij zou hem daaraan helpen. De beenhouwer die hier naar luisterde is met hem accoord gegaan op voorwaarde dat eer hij hem het geld in de hand gaf hij mee moest gaan om de duivel eens te mogen zien. De Nigromanciër stemde hier niet graag mee in maar was op het laatste toch tevreden en zei tot de beenhouwer dat hij hem de volgende nacht zou komen halen om met hem buiten de bezweringen te gaan zien.

Intussen is de Nigromanciër buiten gegaan en heeft zijn medemaat gewezen waar hij de volgende nacht in een droge gracht zou zitten met duivelsklederen aan en zich zou vertonen als hij hem riep alsof hij de duivel zelf was geweest. Toen dit alles nu geregeld was kwam de Nigromanciër de volgende nacht bij de beenhouwer om mee te gaan. De beenhouwer was zeer gewillig en nam zijn hond mee die hij leidde met een koord. Toen zij ongeveer een steenworp van de gracht gekomen waren maakte de Nigromanciër twee cirkels op de aarde: een waarin hij zelf moest staan en een andere waarin de beenhouwer met zijn hond moest staan die hij zeer sterk gelastte zich niet te verroeren.

Toen begon hij zijn boeken open te doen en daarin te lezen want het was zeer klare manenschijn. Hij noemde daar heel vreemde namen van duivels en ten slotte beval hij toen een duivel die hij noemde dat hij zich vertonen zou. De gezel die met de duivelsklederen in de gracht zat liet zijn hoofd boven de kant van de gracht zien en trok het weer in. Ziet ziet, zei de Nigromanciër tot de beenhouwer, hoe de duivel zich daar vertoont. Laat hem nog meer vertonen, zei de beenhouwer. Toen bezwoer de Nigromanciër de duivel dat hij zich meer vertonen zou. Toen vertoonde zich de gemaakte duivel met het hoofd en met de schouders. De beenhouwer begon de bedriegerij ergens te merken en zei dat hij niet tevreden wou zijn met een stuk van de duivel. Hij wilde hem geheel zien. Toen bezwoer de Nigromanciër weerom dat hij zich nog verder zou vertonen. Toen vertoonde de gemaakte duivel zich bijna tot de voeten toe. Och, zei de beenhouwer, hoe graag was mijn hond bij die duivel, want de hond tierde en baste zeer. Och pas daar voor op, zei de Nigromanciër, hij zou de hond jammer verscheuren. Ziet Nigromanciër, zei de beenhouwer, daar gaat het om: waagt gij uw duivel en ik zal mijn hond wagen. En daarmee liet hij de hond los die regelrecht naar de duivel liep en beet hem zo dat hij riep: help help. Hoe, zei de beenhouwer, heeft uw duivel hulp van doen, dan zijt gij en uw duivel maar een paar schurken die mij gezocht hebben te bedriegen.

(196) Iemand passeerde ‘s nachts in een stad en de wachten riepen hem aan en vroegen of hij enig wapen bij hem verborgen droeg. Toen deed hij zijn mantel open en toonde hen een fles met wijn en zei: daar zijn mijn wapens. Toen namen zij de fles en dronken de wijn uit en zeiden hem dat ze gelast waren de lieden hun verborgen wapens af te nemen en zo hadden zij ook bij hem gedaan. Maar daar geven wij u de schede terug en toen gaven ze hem de lege fles.

 



[1] Nigromantie = zwarte kunst, magie, hekserij, toverij.

19. Van kansspelers

(197) Een kapitein en een koopman speelden tesamen met de teerlingen. Toen de kapitein verloor vloekte en tierde hij zeer. Ten slotte greep hij het geld dat hij verloren had en stak het in zijn zak. Toen de koopman dat zag en zich verbaasde heeft hij hem gezegd dat, aangezien de kapitein niet gemeend had dat de koopman zou doorgaan met het geld dat hij gewonnen had, hij niet wist waarom de kapitein zo veel had te vloeken en te tieren toen hij zijn geld verloor.

(198) Iemand zag hoe een boze kansspeler een andere die maar slecht was zijn geld had afgewonnen met vals spel. Toen het spel gedaan was zei hij tot de valse kansspeler dat het schande was dat hij de slechterik zo getrakteerd had. De bedrieger heeft hem hierop geantwoord dat aangezien de natuur hem niet meer verstand verleend had waarom hij zijn profijt niet zou doen met zijn domheid.

(199) Een kansspeler die het spelen verlaten had pleegde te zeggen dat teerlingen en pillen van een zelfde natuur waren want de ene purgeerden het lichaam en de andere de beurs.