20. Van dronkaards

(200) Een persoon van kwaliteit zond zijn zoon in een universiteit om te studeren en toen hij daar enige tijd geweest was vroeg hij aan enigen die vandaar kwamen hoe zijn zoon zich gedroeg. Toen zeiden zij dat hij wat geneigd was tot gokken. Dan zal ik, zei de vader, de middelen wat korten en verspeelt hij dan het weinig dat hij hebben zal, hij zal de pijn van het gebrek moeten lijden totdat hij weer wat krijgen mag. Enige tijd daarna kwamen nog enige anderen van de zelfde universiteit bij deze heer. Toen vroeg hij aan die hoe zijn zoon zich gedroeg. Al wel, zeiden zij, maar van hem wordt gezegd dat hij met lichte vrouwen converseert. Wel, zei de vader, ik zal zien wat goed onderwijs daartoe zal kunnen doen en doet dat geen goed daartegen dan zal de tijd het altijd doen. Enige tijd daarna toen nog enige anderen van de universiteit bij deze heer kwamen vroeg hij van die lieden hoe zijn zoon zich gedroeg. Het zou wel met hem zijn, zeiden zij, ware hij niet zo zeer geneigd tot de drank. Toen de vader dit hoorde was hij zo droef dat hij enige tranen vallen liet en zei: Och God is mijn zoon tot die fouten gevallen dan weet ik niet wat doen, want hoe ouder dat hij wordt hoe minder dat hij dat zal kunnen laten en men vindt geen wetten om dat te straffen.

(201) Een dronkaard ging dronken op een schone zomerse dag naast de waterkant. Omdat het getijde op einde afging is hij de dijk afgerold toen het laag water was en is daar gaan liggen slapen de zon schijnend recht in zijn gezicht. Toen hij nu vast lag en sliep is het getijde weer gekeerd zodat het water gekomen is tot over zijn voeten. Enige passanten die langs de dijk gingen en dit gezien hebben zijn bij hem gekomen en hebben hem aangeroerd. Ze zeiden dat hij op zou staan en van daar gaan maar hij heeft hun gezegd dat zij zijn voeten toch beter dekken zouden en de kaars uitblazen want hij verlangde nog wat te slapen.

(202) Een koopman had zijn knecht uitgezonden voor een zekere affaire en hij kwam dronken thuis. De koopman bemerkte dat en zweeg stil tot de volgende dag en bekijfde de knecht. Hij verexcuseerde zich zeggende dat het zijn fout niet was. Wiens fout, zei de koopman, kon het dan wezen? Seigneur, zei de knecht, het is de fout geweest van degene die een zwaarder last op een gewillig paard wilde leggen dan het wel dragen kon. Zo bemerk ik, zei de koopman, dat al was het uw schuld niet, het paard was altijd gewillig.

(203) Toen ene iemand berispte om zijn dronkenschap heeft de dronkaard geantwoord dat hij met goede reden aantonen zou dat hij zijn geld allerwijselijkst gebruikt die het in bier besteedt, want zei hij:

        Wie huizen koopt, die koopt stenen,

        Wie vlees koopt, die koopt benen,

        Wie eieren koopt, die koopt schalen,

        Maar wie bier koopt weet van geen schade te vertellen.

Want hij koopt niet om zijn geld dan louter bier en als de pot leeg is dan is hij weerom zo bekwaam als tevoren om daarin te gaan tappen.

 

21. Van dwaze en zotte mensen

(204) Een vreemdeling kwam in een stad en is in het dolhuis[1] gegaan om de gekke mensen daar te zien. Een van de gekke mensen vroeg hem vanwaar dat hij was. Hij zei van een stad wel veertig mijl vandaar. Wat ambacht doet gij daar, vroeg de gekke mens. Ik ben, zei de vreemdeling, een kleermaker. En waarom zijt gij gekomen, vroeg de gek. Alleen om u te bezoeken, zei de vreemdeling. Ja, zei de gek, woont gij veertig mijl van hier en zijt gij een kleermaker en komt gij alleen om mij te bezoeken, voorwaar broer gij moogt mij geloven zo gij wilt, ik zit om zo’n grote zotheid niet hier.

(205) Alexander Farnese, hertog van Parma, heeft in Italië gereisd toen hij jong en nog maar Prins van Parma was om verscheidene steden te zien. Toen hij in een stad kwam waar hij de kerken en veel schoon gebouwen zag is hij ten slotte gekomen in de passerella of het huis waar men de gekke en zotte mensen bewaart. Toen hij daar degenen gezien had die gek gebonden lagen is hij in de hof gegaan en daar heeft hij een persoon zien wandelen in een nachtkleed met een boek waarin hij las. Toen hij voorbij hem passeerde sprak hij hem aan en vroeg hem wat hij daar studeerde. Ik lees hier wat, zei deze persoon, in een medicijnboek. Toen de prins dat hoorde zei hij dat hij de dokter van het dolhuis was en vroeg hem enige dingen aangaande medicijnen, waarop dat hij de prins zeer goed bericht gaf tot zijn tevredenheid in die mate dat de prins, om notitie van hem in memorie te houden, van hem wilde weten wie dat hij was. Ik ben, antwoordde hij, de Engel Gabriël, die van God gezonden was om onze lieve vrouwe te groeten. Toen de prins dit hoorde, maakte hij er zich vandaan en liet zijn Engel Gabriël daar alleen in de hof wandelen. Hij ging voorts om het huis nog meer te bezien en is toen boven gekomen in een bibliotheek. Daar zag hij iemand die daar zat en schreef iets uit een van de boeken en toen heeft hij hem ook aangesproken en bevonden dat hij een geleerd man was die met hem praatte van vele zaken waarvan hij goed inzicht gaf. Hij is ten slotte komen te spreken van de oorzaak van gekheid waarvan de geleerde zeer goed sprak en zei hem welke manier van gekheid geneesbaar was en wat niet. Op het laatste wilde de prins zijn opinie hebben over de frenesie of gekheid van de persoon die hij in de hof gevonden had. Hij heeft gezegd dat hij daar in de hof met een persoon gepraat heeft die hem te woord stond en antwoord gegeven had met zo goede reden als iemand zou kunnen doen. Toen hij op het laatste hem vroeg wie hij was, zei hij dat de Engel Gabriël was die van God gezonden was aan onze lieve vrouw. Maar is dat ook mogelijk, zei deze persoon, vindt men ook zulke zotten op de wereld en daarmee lachte hij wel terdege. En toen zei hij tot de prins: ik kan me niet houden van met deze gek te lachen omdat niemand beter weten kan dat dit een leugen is dan ik, want ik ben God zelf die de engel zond en ik weet wel dat ik hem niet gezonden heb. Toen de prins dit hoorde zei hij ook adieu aan deze God zelf en vond dat hij van een wijze tot bij een grotere wijze zot was geraakt.

 



[1] Gekkenhuis.

(206) Een gekke mens die gebonden lag is los geraakt en heeft een bloot zwaard gekregen. Hij is in een huis gekomen en de trappen opgelopen en in de kamer geraakt van een edelman die nog op zijn bed lag. Och gij schelm, zei de gekke mens, ik zal u de kop afhouwen. Ik weet, zei de edelman, dat gij zo krachtig en zo sterk zijt dat gij wel bij machte zijt om twee koppen seffens af te houwen. Wacht toch daarom een beetje dat ik eens afloop om een andere man op te halen dat gij ons allebei onze hoofden seffens moogt afhouwen. De gek geloofde hem en liet hem gaan en zo is hij aan het gevaar ontsnapt.

(207) Een hond had een zot gebeten en de zot kwam de volgende dag waar hij de hond zag liggen slapen in het gras en heeft hem de hersenen ingeslagen. Gevraagd waarom hij dat deed antwoordde hij dat hij het deed om een voorbeeld te tonen aan degenen die vijanden hebben dat ze mochten wel voorzien waar ze hun slaapplaats maakten.

(208) Een timmerman die in de hof van een grote heer in Engeland werkte is wat ter zijde gegaan om te plassen. Hij zag de zot van dezelfde heer liggen slapen met zijn mond open en hij heeft hem onbeschaamd in de mond gepist. De zot werd hiermee wakker en heeft tegen de timmerman getierd en gezegd dat hij dat te pas zou brengen. Niet lang daarna is de zot toen gekomen en heeft de timmerman gevonden liggen slapen met zijn hoofd op een blok en toen nam de zot de bijl van de timmerman en hakte zijn hoofd af. Hij nam het hoofd en stak het in een oven en dekte het met spaanders. Toen ging hij naar zijn heer en zei dat hij hem dingen zeggen zou waarmee hij wel zou lachen maar hij mocht daar niemand van vertellen. De heer vroeg de zot wat dat was. Toen zei de zot dat de timmerman daar lag en sliep en als hij wakker zou worden dan zou hij zijn hoofd gaan zoeken en niet weten waar hij het vinden zou. Komt hier, zei de zot, ik zal u gaan tonen waar het ligt op voorwaarde dat gij het hem niet zeggen zult en toen bracht hij de heer en liet hem het hoofd van de timmerman in de oven zien waar hij het met spaanders bedekt had.

(209) Een zot lag en sliep in het veld en hij had zijn stok recht voor hem in de aarde gestoken om hem van de wind te beschermen. Iemand die voorbij kwam maakte hem wakker en vroeg hem of hij meende dat zijn stok groeien zou die hij daar geplant had. Wat laat gij u denken, zei de zot, dat ik zo zot ben. Ik heb hem daar gestoken om mij van de wind te beschutten. Van de wind beschermd te worden? zei de andere en begon te lachen. Wel waar hebt ge het over, zei de zot, kan de wind door de stok waaien?

(210) Een knecht van een grote heer hield de zot met de zot van die heer en dreigde hem zijn hoofd af te houwen. Toen de zot dit hoorde is hij bij de heer gelopen en heeft over de knecht geklaagd. Toen zei de heer tot de zot, wanneer dat die knecht zulks doet zal ik hem de dag daarna laten hangen aan de galg. Neen mijn Heer, zei de zot, ik weet beter raad, ik bid u doet hem hangen de dag tevoren.

 

22. Van halve zotten en domoren

(211) De hertog van Infantalgo in Spanje wandelde op een dag tussen twee fraaie hovelingen wiens buitenste zijde het best was. De hofnar van de hertog zei tot hem: Mijnheer gij zijt nu in geen gevaar om te verdrinken. De hertog vroeg hem waarom. Omdat, zei de hofnar, gij tussen twee blazen zijt.

(212) Toen een boer bezig was om de takken van een boom af te hakken is hij met de bijl in de hand gevallen en heeft de hals gebroken. Zijn knecht die dit gezien heeft is direct naar huis gelopen en heeft het aan de vrouw gezegd en vertelde haar hoe hij op de boom stond en hoe hij viel en tot besluit zei hij dat het nog een groot geluk was dat vallend van de boom met de bijl in de hand hij zichzelf niet gekwetst had.

(213) Een rijke koopman trakteerde om een huwelijk te maken tussen zijn zoon die niet van de slimste was en de dochter van een andere koopman. Toen de vrienden bijeen kwamen om daarvan te tracteren, waarvoor een maaltijd bereid was ten huize van de vader van de dochter, gelaste de koopman zijn zoon dat hij aan tafel niet veel zou zeggen uit vrees dat men zijn zwakheid te zeer zou bemerken. De zoon onderhield deze les en heeft aan tafel gezeten zonder een woord te spreken. Maar op het laatste toen enigen bemerkten dat hij daar zat gelijk een ‘grote nul’[1] begonnen ze daarmee te lachen. Toen hij dat zag riep hij over de tafel en zei: vader ik mag nu wel vrij spreken want zij weten nu al wel genoeg.

 



[1] ‘o int cypher’ of ‘o in het cijfer’ betekent zoveel als een ‘onbenul’ of dwaas; een uitdrukking die Verstegen ook gebruikte in De spiegel der Nederlandsche elenden (Mechelen: Hendrick Jaye, 1621 p 124).

 

(214) Toen een deel boeren naar het doel schoten schoot een boer zo recht naar het doel dat hij door de neus schoot van een boerenknecht die daar stond op te kijken. De knecht trok de pijl uit en ging naar de boer en vroeg hem of dat zijn pijl was. Ja, zei de boer (alsof hij nergens van wist), hoe zijt gij daar aan geraakt? Hier, zei de knecht en wees hem naar zijn neus en zei dat hij zien mocht wat voor een fraaie neus dat hij hem gemaakt had. Maar voor zover, zei hij, dat gij mij dat nog eens lapt, ik beloof u ik zal uw pijl in stukken breken.

(215) Een edelman waarin niet veel stak kreeg woorden met een andere edelman en zei tot hem dat hij vrijelijk weten mocht dat hij een edelman was zo goed als hij. Zo mag ik dan ook weten, antwoordde de andere edelman, dat ik de plompste en domste ezel ben die men vindt.

(216) Een Biskajer die een slecht feit bedreven had is in de handen van de justitie gevallen en werd gepijnigd om zijn schuld te bekennen. Hij wilde die niet bekennen wat men hem ook deed. Ten slotte liet men hem los van de pijnbank en ging hem met zoetigheid toe, zeggende: gih hebt zeker getoond dat gij van een grote moed zijt maar zeg toch eens als gij een edelman zijt hebt gij dit feit niet bedreven. Ja mijne heren, antwoordde hij, als gij zo spreekt dan moet ik bekennen dat ik het gedaan heb, welke belijdenis hem de hals heeft gekost.

(217) De kardinaal Alonso Carillo gelastte zijn hofnar dat hij alle dagen zou opschrijven alle folieën en zottigheden die hij van iemand kon noteren en dat hij hem altijd op het einde van de maand zijn boek zou tonen. Kort daarna heeft de kardinaal een alchemist aangenomen en heeft hem duizend kronen doen tellen om daarmee naar Toledo te reizen om aldaar al zulke dingen te kopen als hij voor zijn alchemie van doen had. Toen het nu einde van de maand was en de kardinaal het register van de folieën wilde zien, bevond hij dat hij ook daarin stond omdat hij zotheid had bedreven, te weten dat hij aan een vreemde alchemist de som van duizend kronen had doen tellen. Toen zei de kardinaal tot de hofnar dat hij dat voor zotheid niet kon optekenen aangezien de alchemist wel kon weerkomen zoals hij meende dat hij zou doen. Komt hij weer, zei de hofnar, dan heb ik maar uw naam uit het register te schrappen en de zijne in de plaats te schrijven.

(218) Op een morgenstond in de winter (toen het heel hard gevroren had) kwam een passant door een dorp. Een hond is op hem toegevlogen en heeft hem gebeten. Toen hij neer bukte om een steen op te rapen om naar de hond te werpen toen waren de stenen zo vast aan de aarde gevroren dat hij niet een daarvan trekken kon. Och wat voor een schelms land is dit, zei hij, waar de stenen vastgebonden liggen en de honden losgelaten zijn om de mensen te bijten.

(219) In een grote storm op zee begon ieder die in een schip was zeer vurig God te aanroepen, uitgenomen een persoon die zich aan het eten zette en zeer hartelijk at. Toen werd hem gevraagd waarom dat hij zo stond te eten waar al de overigen in hun gebeden waren. Och, antwoordde hij, ik eet nu zo sterk omdat ik denk dat ik straks zoveel te drinken zal hebben.

(220) Een heer zond zijn knecht om een koppel patrijzen te kopen en gelastte hem dat hij geen zou brengen dan degene die zeer vers waren. De knecht ging en kocht een koppel. Toen hij die thuis bracht bezag de heer ze en rook wat achteraan de staart en vond dat ze kwalijk roken en wierp ze de knecht naar het hoofd. Awel, zei de knecht, wat overkomt u heer, als gij de fraaiste juffrouwen van de stad alzo van achter rieken zou, gij zoudt ook wel mogen zeggen dat zij niet vers waren.

(221) Een verwaande pronker gaf een arme bedelaar een reaal[1]. De bedelaar was blij en zei dat hij zou bidden dat God hem tien dubbel zou lonen. Waarop de mooie pronker naar zijn wijsheid antwoordde: gij moogt dat niet doen want dan mocht onze lieve Heer menen dat ik met mijn almoezen wilde woekeren.

(222) Een pronker kwam zeer fraai op een banket waar veel heren en juffrouwen bijeen waren en verloor door onachtzaamheid zijn mantel. Toen hij die miste maakte hij meer stampij en getier daarom dan de reputatie betaamde die hij wilde schijnen te dragen. Een van de juffrouwen bemerkte dat en heeft hem gezegd dat hij zichzelf een kleinigheid aandeed om zo veel getier voor zo veel volk te maken om een mantel. Och juffrouw, antwoordde hij, hij is mij maar geleend geweest en de eigenaar zal mij mogelijk veel meer daarvoor doen betalen dan hij waard is.

(223) Een Spaanse soldaat die op de galleien diende tegen de Turken werd in het hoofd met een pijl geschoten. Toen de chirurgijns bezig waren om de pijl eruit te krijgen vreesden ze zeer dat ze de hersenen zouden komen te kwetsen. Toen de soldaat dit hoorde heeft hij hun gezegd: Messieurs gij moet geen vrees hebben van daar enige hersenen te kwetsen want hadden daar hersenen gezeten ik had niet gekomen waar men zulke pijlen had geschoten.

(224) Een edelman reed op een ochtend te peerd in de regen en vroeg aan een boer die hem tegenkwam of hij dacht dat het nog op de dag schoon weer zou worden. Mijnheer, zei de boer, ik zal u dat tegen de avond wel weten te zeggen.

(225) Iemand vroeg aan de wijze zoon van een pachter hoeveel paarden dat zijn vader had. Hij heeft er vijf, antwoordde hij, met de vier die dood zijn.

(226) Iemand had in een boek gelezen dat een grote lange baard een teken van een zot was en heeft terstond de spiegel en de kaars genomen om te zien of zijn baard ook zo lang was. Hij hield de kaars wat te dicht bij de baard en hij kwam in brand en de helft brandde af eer hij het blussen kon.  Hij zette de spiegel en de kaars uit zijn handen en nam pen en inkt en schreef Probatum est [2].

(227) Een boerenzoon wiens moeder een weduwe was wilde een heer gaan dienen. Zijn moeder wilde hem moeilijk toelating geven maar was ten slotte tevreden op voorwaarde dat hij haar almeteen een brief zou zenden. Hij geraakte immers ergens in dienst van een heer en de heer gaf hem op een dag een deel oude brieven en slechte papieren om in het vuur te werpen. Hij zag een brief die nog niet gescheurd was en die stak hij in zijn zak. Zijn heer vroeg hem wat hij daarmee meende en waarom hij die brief niet in het vuur wierp zo wel als de rest. Toen zei hij dat hij zijn moeder beloofd had een brief te zenden en aangezien zijn heer die brief niet meer van doen had zou hij haar graag die brief zenden.

 


[1] Gouden, zilveren of koperen muntstuk.

[2] ‘het is bewezen’.

        23. Van gestalten van het lichaam of lidmaten

(228) Een burger die zeer lelijk van gelaat was nodigde een buitenman uit waarmee hij te doen had om bij hem te komen eten. En toen de buitenman in het burgershuis in de ontvangkamer was kwam de vrouw die al even lelijk van aangezicht was als de man en heette hem welkom. Is dat uw huisvrouw, vroeg de buitenman aan de burger. Ja, zei de burger. Voorwaar, zei de buitenman, ik had anders gemeend dat zij uw zuster was geweest.

(229) Twee boerinnen kwamen op de baan een reizende man tegen die een geweldig grote neus had. Toen zij dat zagen stonden ze stokstil om daarop te zien. Wel, zei de passant, waarom gaat gij niet voort. Uw neus, zei een van de boerinnen, staat ons in de weg. Toen nam hij zijn hand en boog zijn neus over een zijde en zei: gaat nu door gij sloren als gij zijt.

(230) Iemand aanschouwde een dronkaard met een grote rode neus vol blauwe en rode puisten en zei dat hij door speculatie daarover bevond dat de ziel van de wijn die hij gedronken had was gestegen tot in het firmament van zijn neus en dat de puisten de meteoren waren die door de uitwaseming veroorzaakt waren.

(231) Iemand aanschouwde een persoon die een zeer grote neus had en een zeer kleine baard. Wat jammer is dit, zei hij, dat de lommer van die neus het groeien van die baard belet heeft.

 

    24. Van dienstboden, jongeren en kinderen

(232) Een koning van Frankrijk was in zijn kamer alleen en liet een scheet. Zijn hofnar die buiten de kamer was hoorde dit en heeft daarop ook een gelaten. De koning hoorde dit en vroeg wat hij daar hoorde. Niets anders genadige Heer, antwoordde de hofnar, dan de waardige echo van uw eigen scheet.

(233) Een page ging voor een prins de trappen op met een licht voor hem. De prins uit genoegen gaf hem een slag achter op zijn gat waarop de page een krakende scheet langs achter liet vliegen. De prins hoorde dit en bekeef hem om zijn onbeschaamdheid. Och mijn Heer, antwoordde de page, de macht van uwe excellentie is zo groot dat waar zij op de poort slaat doet ze deze terstond open gaan.

(234) Enige juffrouwen van Toledo wilden een nicht gaan bezoeken die in het kinderbed lag en een mijl van de stad woonde. Toen zij daar gekomen waren riep haar man zijn knecht en beval hem dat hij terstond het paard zou nemen en met alle vaart naar de stad rijden om wat lekkere dingen te halen en weerom te komen. Toen de knecht uit de kamer gegaan was zeiden de juffrouwen dat het onnodig was om de knecht zo ver te zenden en dat het ook te lang zou duren eer dat hij weerom zou komen. Wel neen, zei de Heer, hij zal hem zeer spoeden. Ik wed dat hij reeds te paard is. Toen zij wat van andere dingen gebabbeld hadden vroeg een van de juffrouwen hoe ver dat hij dacht dat de knecht nu was. De Heer zei dat hij dacht dat de knecht nu wel halfweg was. Ze babbelden nog een poos toen een andere juffrouw hem vroeg waar de knecht nu mocht zijn. Nu, zei de Heer, is hij in de banketwinkel en daar pakt hij zeker lekkere dingen. Een kwartier verder vroeg een van de juffrouwen weerom waar de knecht nu wel mocht zijn. Nu, zei de Heer, is hij halfweg naar huis. Ongeveer een kwartier daarna vroeg een van de juffrouwen waar dat hij dacht dat de knecht wel mocht zijn. Toen zei de Heer: ik wed dat hij bijna aan de poort is en dat wij hem terstond hier zullen hebben. Recht met dat woord komt de knecht in de kamer. Dat is wel, dat is wel, zei de heer, dat gij u zo gespoed hebt. Voorwaar mijn Heer, zei de knecht, ik kan de toom van het paard niet vinden.

(235) Een Heer zag uit het venster zijn knecht buiten staan op wie hij boos was en zei tot hem dat hij een schurk was. De knecht die dit hoorde verlangde van hem dat hij hem zou willen excuseren van zulks te geloven. Ik zeg, zei de Heer, dat gij een erge schurk zijt. Veroorloof mijn Heer, antwoordde de knecht, dat geloof ik nog veel minder. De Heer door dit antwoord nog meer kwaad heeft gezegd: komt hier boven gij schurk die ge zijt en ik zal u een oorvijg geven. Voorwaar mijn Heer, antwoordde de knecht, ik zou daar niet graag komen al wilde gij mij er twee geven. Met dit antwoord deed hij zijn Heer lachen en daarmee is zijn boosheid overgegaan.

(236) Een juffrouw in Parijs zond haar meid naar de markt en in een groot gedrang werd haar geldbeurs afgesneden. Toen het meisje wat gekocht had en geld wilde nemen om dat te betalen vond ze dat ze haar beurs kwijt was. Toen begon ze te schreeuwen en ging weer naar huis. Onderweg kwam zij een schelm tegen die ze kende en klaagde aan hem over haar ongeluk: Och wat zal ik gaan doen, wat zal ik gaan doen, mijn beurs is afgesneden. Wel, zei de schelm, nu dat gij mij raad vraagt zal ik u raad geven; keer weerom en maakt u in het gedrang en snijdt een ander de beurs af. De meid keerde zich om en ging en deed het. Ze had een dikke beurs afgesneden en ging ergens terzijde van de weg om te zien wat er in was. En zij vond haar eigen beurs daarin met het geld daarin dat zij van huis had meegebracht.

(237) Een edelman had een page die iets kwaad had bedreven en kreeg hem op zijn kamer. Daar deed hij hem zijn klederen af en ging hem terdege geselen. Toen hij hem wel gegeseld had ziet hij hem zijn klederen weerom aandoen. Toen zei de page dat hij niet wist of dat wel betaamde omdat gewoonlijk de klederen van de misdadigers aan de beul toebehoren.

(238) Iemand vroeg een knecht die bij een vrekkige heer woonde wat jaarlijks inkomen of middelen hij had. Zeer schone middelen, antwoordde de knecht, want hij heeft de macht om wel een dozijn dienstboden te houden en die van honger te versmachten.

(239) Een edelman die in het land te paard reisde vroeg aan een boerenzoon die veel jonge varkens hoedde aan wie die varkens toebehoorden. De jongen antwoordde dat ze toebehoorden aan zijn moeder. Hij vroeg hem wie zijn moeder was. De vrouw van mijn vader, antwoordde de jongen. Toen vroeg de edelman wie zijn vader was. Dat moet gij, zei de jongen, mijn moeder vragen. Toen de edelman dit hoorde nam hij de jongen tot zijn page en tracteerde hem wel.

(240) Een vrouw die toonde dat zij haar kinderen uitermate beminde zei tot een andere vrouw dat zij verwonderd was dat zij haar kinderen niet zo zeer beminde. Om, zei zij, mijn droefheid niet zo groot te maken als de uwe wanneer dat een van mijn kinderen zou komen te sterven.

(241) Een graaf in Spanje placht te zeggen dat het een gelukkig ongeluk is geen kinderen te hebben.

(242) Een oude man werd op straat van veel jonge rakkers gekweld en heeft zich uit de voeten gemaakt zo haast hij kon. Iemand die hem tegenkwam vroeg hem waarom hij zo rap was. Ik loop zo rap, zei hij, om een profeet Elizeus te zoeken om die jonge schelmen te vervloeken.[1]

(243) Een jongen klom op een perenboom van een pachter die in zijn boomgaard naast de tuin stond. Toen kwam de pachter in zijn boomgaard en zag de jongen op zijn perenboom. Hij heeft hem dan gevraagd wie hem dat geboden had. Toen vroeg de jongen weerom aan de pachter wie dat het hem verboden had. Ik verbied het u, zei de pachter. Dan zal ik het laten, zei de jongen, en nam een tak van de boom vast. Hij sleurde langs de tak af aan de andere zijde van de tuin en toen liep hij door met zo veel peren als zijn zakken dragen konden.

(244) Een klein jongetje was van zijn ouders verboden om hen aan tafel te kwellen met eten te eisen. Eens stond hij lange tijd te wachten om wat te krijgen maar hij werd door zijn ouders vergeten. Op het laatste zag hij dat hem niets gegeven werd en toen verlangde hij van zijn vader dat hij hem wat zout wilde geven. Wat zout, zei de vader, wat wilt gij met zout doen. Ik zal daarmee mijn eten eten, zei het jongetje, als ik het heb.

(245) Een Heer van Ferrara had ongehuwd geleefd tot het laatste einde van zijn ouderdom. Hij werd van zijn goede vriend gevraagd waarom dat hij nooit huwde. Omdat ik, antwoordde hij, niet verplicht zou worden om kinderen te krijgen. En waarom wilde gij niet verplicht worden om kinderen te krijgen, zei zijn vriend. Omdat, zei hij, ik niet verplicht wilde zijn om die lief te hebben.

 


[1] Bijbelverhaal (2 Koningen 2): ‘Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!’, kreeg Elisa van een groep jongens te horen. Ze dreven de spot met hem. Elisa vervloekte hen in de naam van de Heer, waarna twee beren uit het woud kwamen en 42 kleine jongens verscheurden. 

    25. Van de ouderdom en van de dood en van sterven

(246) Iemand kwam een zeer stokoude man tegemoet en vroeg hem hoe lang dat hij geleefd had. Toen antwoordde de oude man dat hij een korte tijd geleefd had en nochtans veel jaren.

(247) Iemand zag een stokoude man heel zwak gaan met een stok in de hand en vroeg hem wat hij deed. Ik ga, zei de oude man, met mijn stok al kloppende op de deur van de dood om binnengelaten te worden.

(248) Een officier ondervroeg een arme mens waarvan dat hij leefde. Waar het zaak, zei de arme, dat gij mij gevraagd had waarvan dat ik sterf, ik had u beter antwoord kunnen geven want ik sterf van honger.

(249) Toen een man ziek op sterven lag ging zijn huisvrouw op haar knieën zitten aan het voeteinde van het bed en bad voor hem. Onder andere bad zij: Och lieve Heer, zei zij, wilt toch mijn man laten leven en laat mij liever sterven. Haar man hoorde dit gebed en zei: Voorwaar vrouw, aangezien dat gij zulks wenst kunt gij onze lieve Heer daartoe doen instemmen ik zal daarmee tevreden zijn.

(250) Francisco Pizarra rebelleerde tegen de koning van Spanje in Peru en zag dat hij in de strijd overwonnen zou zijn. Enigen die met hem waren zeiden: aangezien dat het geluk ons zo tegengaat laat ons vechten en sterven als de Romeinen. Neen, zei hij, laat ons opgeven en sterven als christenen en zo deden zij ook naar zijn raad.

(251) Monsieur le Comte zag de hertog van Biron ongeduldig voor zijn dood en vroeg hem wat hij van de dood peinsde. Ik denk, zei hij, dat tussen de dood en het leven geen groot verschil is. Waarom, zei Monsieur le Comte, schikt gij u daartoe niet met meer geduld. Zodoende, antwoordde de hertog, zou ik ze niet gelijk maken want zij moeten allebei een kwelling zijn.

 

Einde