Loterijversjes of ‘de stem van het volk’ in rijmvorm

 

Vanaf de tweede helft van de 15de eeuw werden in Vlaamse en Hollandse steden loterijen gehouden waarvan de opbrengst diende om stadsschulden te delgen of voor allerlei ‘goede doelen’. Iedereen kon een aantal lotjes kopen en dit werd in een register bijgehouden waarbij naast de naam en adres vaak ook een kort versje werd genoteerd. Deze loterijversjes (loterijprozen) waren korte rijmpjes die meestal betrekking hadden op de kans iets te winnen of (in de meeste gevallen) zijn ingezet geld kwijt te zijn. Ook zij die zelf niet konden lezen of schrijven konden hun versje laten registreren. Wie niet zo geïnspireerd was kon een keuze maken uit een bundel modelversjes: een mengeling van enerzijds rijmpjes met (bedekte) kritiek op politieke of maatschappelijke toestanden en anderzijds satirische verzen of boertige grappen. De loterijtrekking was vaak een feestelijke aangelegenheid waarbij de versjes bijdroegen tot het spektakel: bij de trekking werden zowel de winnende als verliezende verzen geproclameerd. In diverse stadsarchieven zijn de loterijregisters bewaard gebleven en vormen zo een unieke bron voor historisch onderzoek: omdat de loterijversjes afkomstig zijn uit alle lagen van de samenleving tonen ze een leerrijke doorsnede van de gangbare opvattingen en belangrijke maatschappelijke thema’s uit die tijd. [1]

 

[1]  De oudst bekende collectie versjes is deze van de Brugse stadsloterij uit 1446; zie Louis Gilliodts-Van Severen, 'La loterie à Bruges' in La Flandre 1-3 (1867-1870). De loterijprozen zijn het voorwerp van een onderzoeksproject van het Centrum voor stadsgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen (olv Jeroen Puttevils): Here God, geef me den eersten prize! Vijftiende- en zestiende-eeuwse loterijversjes als stem van het volk (https://lokroepvanvrouwefortuin.wordpress.com). Zie ook Anneke Huisman & Johan Koppenol, Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726 (Uitgeverij Verloren, 1991; hfst 8 ‘De loterijprosen’).

Begin 18de eeuw werden ruim 2750 loterijversjes verzameld in een tweedelige bundel ’t Vermaaklyk lot-tooneel van Holland.[2] Vele verzen hebben niets meer te maken met de loterij zelf maar zijn korte spreuken of kleine gedichten geworden. De samensteller van deze bloemlezing heeft de meest ‘vermakelijke’ uitgekozen: typerend voor de volkshumor van die tijd hebben de rijmpjes vooral betrekking op seks en ‘strontfolklore’. Mogelijk was de samensteller de drukker zelf, Hendrik van Damme, die als uitgever en boekverkoper actief was in Leiden van 1699 tot 1754. In het voorwoord van het eerste deel wordt een vervolgdeel aangekondigd met het verzoek ‘klugtige en wonderlyke rymstof’ te bezorgen aan de Leidse boekverkoper Hendrik van Damme. En inderdaad twee jaar later (1707) verschijnt een tweede deel om zowel de lezers ‘lust tot wat vermaaklyks’ te voldoen als het ‘oogmerk van winst van de zyde des drukkers’… De mogelijke uitgave van een derde deel wordt in het vooruitzicht gesteld maar zal niet verschijnen. Wel volgt een heruitgave van beide delen in 1714: met uitzondering van de titelbladzijde is deze volkomen identiek aan de eerste editie. De uitgever heeft wel – duidelijk uit ‘winstoogmerk’ – de titel veranderd: Vervolg van de koddige en ernstige opschriften, behelsende omtrent twee duysent, aardige scherpzinnige, en klugtige lotery-spreuken. Van Damme vermeldt zijn naam niet meer, maar wel: ‘Gedrukt voor de Liefhebbers van Jok en Ernst’! Met de titelverandering hoopte de uitgever te profiteren van het grote succes van een soortgelijke verzameling: Koddige en ernstige opschriften, op luyffens, wagens, glazen, uythangborden, dat in vier delen verscheen en meerdere keren herdrukt werd.[3]

 

 

[2] 't Vermaaklyk lottooneel van Holland, zynde een mengelmoes van zinryke, keurige, geestige, snaakse vremde en wonderlyke, loteryspreuken, sédert een geruime tyd uit de origeneele boeken en lysten t'zaamengebragt. Mitsgaders de zin, en loteryspreuken van Weesp. Verrykt met figuuren ter materie dienende, gelyk van de koopers kan gezien worden. Te Leiden, by Hendrik van Damme, boekverkooper in de Zonneveldsteeg, 1705. De kopergravures zijn van Jan Goeree (1670-1731). Omdat de drie beste verzen bekroond werden met 20 gulden kregen de loterijspreuken uit Weesp een speciale vermelding.

[3] Van de Amsterdamse drukker, uitgever en dichter Hieronymus Sweerts (1629-1696), alias Jeroen Jeroense; eerste editie 1682-1690; de herziene tweede editie verscheen vier maal van 1698 tot 1732; zie 'Koddige opschriften' op deze website (http://oudegrappen.simplesite.com/)

 

Uit deze honderden loterijversjes maakte ik een ‘propere’ selectie, van fijnzinnig tot lichtzinnig, van spitsvondig tot ietwat platvloers. Ik ‘vertaalde’ ze met de nodige dichterlijke vrijheid, zoals het een doorsnee rijmelaar past. De eerste groep heeft betrekking op de loterijen zelf. De overigen heb ik wat thematisch geordend.

Loterij en lotgevallen

 

Wie wil spelen maar niet verliezen

Moet ’t geld in zijn beurs bevriezen.

 

Kaarten, meisjes en loterijen

Zijn dingen die velen verblijen.

 

Als het nu weer niks beduidt

Dan schei ik met het loten uit.

 

Nullen en nullen zijn maar prullen.

Mocht ik het hebben naar ’t mij begeert,

Ik zag het cijfer 0001 omgekeerd.

 

Een professor en een boekworm komen mee loten,

Geef hun geen kleine prijs maar zeker een grote.

 

De loterij is zogezegd voor gierigen en gekken,

Maar ’t zijn wijzen die een hoge prijs trekken.

 

Heb ik geen prijs dan ben ik ontsteld

Want ik heb geleend het lotjesgeld.

 

Als het nu niet gaat lukken

Scheur ik het lotje in stukken.

 

Al zegt het spreekwoord: ’t geluk is voor de gekken,

Dat stoort me niet als ik de grootste prijs mag trekken.

 

Ik ga zeker winnen zei de gek,

Al heb ik aan ringen nog gebrek,

Ik heb reeds laten boren

Een gaatje in mijn oren.

 

De loterij is als een bij, het vertoont zo wat:

Honing in de mond maar angel in het gat.

 

Heb ik een vrijster naar mijn zin,

Ik leg er nog een lotje in.

 

Wie weet waar het geluk mij leidt,

Naar de loterij of een mooie meid.

 

In de loterij zal ik mijn geld wagen vol vertrouwen

In plaats van het te verteren bij mooie vrouwen.

 

De loterij zou mij niet verdrieten,

Kon ik de beste loten schieten,

Maar hoe ik ook mik of schiet,

De beste loten trek ik niet.

 

Loterij met al jouw nullen

Je zult me niet meer kullen.

 

Ik moet hier geen versje verzinnen,

Want ik kom gewoon om te winnen.

 

Als mijn vrouw nu eens kon zwijgen

Hoef ik geen beter prijs te krijgen.

 

Ik ben helemaal ontsteld

Zonder prijs voor mijn geld.

 

Zonder prijs zal ik pruilen,

Erg zuur zien of huilen.

 

Mijn droefheid is al jaren groot

Sinds ik deze vrouw heb geloot.

 

Hier komt een vrouw met een lotje zonder liegen

In de hoop haar man met een prijs te bedriegen.

 

Ik heb de beste reden om de grootste prijs te rapen:

Ik heb al acht jaar niet meer bij mijn man geslapen.

 

Hier komt weer ‘n zotje

Om zijn volgende lotje.

 

De hoop van ’t hoogste lot

Heeft menig man bespot.

 

Ze willen een lotje de professor en de predikant:

Een duidelijk teken van verval in ons vaderland.

 

Al die loterijen ben ik zat

Want mijn beurs is plat!

 

Volkse wijsheden

 

Het wankelbaar geluk verwisselt heel licht van loop,

Het geselt nu met vrees of kittelt dan weer met hoop.

 

Geluk is als was en gaat op stelten:

Het is wankel en kan licht smelten.

 

Liever wijken en buigen

Dan te vallen in duigen.

 

Gij daar boekenworm die schimpschriften collecteert,

Let op dat men niet iets dergelijks over u fabriceert.

 

Goede wijn en mooie vrouwen

Moet men wel in waarde houen.

 

Fortuin en schone vrouwen

Zijn weinig te vertrouwen.

 

Die op het ijs bouwt,

Op een hoer vertrouwt,

En een leugen gelooft,

Is van zijn zinnen beroofd.

 

Als de armoe de deur inkomt

Vliegt de liefde het venster uit.

 

Niemands tong of niemands pen

Maakt mij anders dan wie ik ben.

 

Zag iedereen maar steeds zijn eigen gebreken,

Men zou van ‘n ander geen kwaad meer spreken.

 

Hoe hard je ook werkt voor weinig loon,

De kleren worden geëerd en niet de persoon.

 

In dit graf ligt Steven van der Stappen

Die dronken dood viel van de trappen.

Zo gij dronkaards u niet snel bekeert,

Loopt het voor u spoedig verkeerd.

 

Geen enkele pastoor, zo is me verteld,

Doet twee missen voor hetzelfde geld.

 

In de boeken mag men het zoeken,

Maar het minnen scherpt de zinnen.

 

Zij die altijd een ongeluk vrezen,

Kunnen nooit gelukkig wezen.

 

In een groep hennen zonder haan

Kan het niet vrolijk aan toe gaan.

 

Ben je hoer, schurk of dief,

Heb je geld, ik heb je lief!

 

Als de haren goed geschoren zijn,

Dansen de luizen op stoppels fijn.

 

De wereld is een ding

Vol van verandering.

 

Sommige kapsels zijn heel snel klaar

Want makkelijk kammen zonder haar.

 

Hij is zeker gek en helemaal dwaas

Die knecht wil zijn in plaats van baas.

 

Het valt zwaar voor de vromen

Om door de wereld te komen.

 

Wie de rekening van de levensloop overziet

Krijgt voor een pond vreugde een kilo verdriet.

 

Konden de mensen zo goed vliegen als liegen

Ze zouden naar geen boot of wagen vragen.

 

’t Geldt voor wever, slager en bakker:

Als ze slapen zijn ze niet wakker.

Wijn en dorst

 

Hier komt een boer met een kater,

Die drinkt liever wijn dan water.

 

Kan je nog wel werken, wevertje,

Onder ’t smaken van ’n jenevertje?

 

Wel kozijn, mag je wel wijn?

Ja confrater, beter dan water!

 

De dorstige op een tonnetje,

De pater op een nonnetje,

De monnik op een begijn,

Waar kan men beter zijn?

 

Wil je liever thee, koffie of wijn

Dan een juffer als medicijn?

 

Wel Doctor Tierentijn

Wat mag mijn keelgat schelen?

Zou ik met bier of wijn

Die wonde kunnen helen?

 

Oesters die voor het mesje gapen,

Het wijntje dat de geest verheugt,

Goud en zilver tesamen rapen,

Zorgt terecht voor mannenvreugd.

 

Dat zondags werken is mij een groot verdriet:

Ik kom niet in de kerk en in de kroeg ook niet.

 

Vrouwen en trouwen

 

Wie gaat wandelen met zijn vrouwtje

Loopt als een hond aan een touwtje.

 

Mijn pa gaf moe een prik

En kort daarna kwam ik.

 

Waar vind ik vrouwen die nog vallen

Op ‘n hele dikke of ‘n lange smalle?

 

Ze kijft zo overvloedig mijn vrouw,

Omdat ze steeds geld hebben wou.

 

Eindelijk is een vroedvrouw van 81 jaar

Verlost geraakt van ‘n zoon van 54 jaar!

 

Mannen hebben twee lippen en vrouwen vier:

Twee voor de spraak en twee voor ’t plezier.

 

Niet al wat van boven komt is een wonder,

Dacht de vrouw want ze lag vanonder.

 

Een dichter schold op Anna zijn vrouw en ik vroeg hoe dat kwam.

Och, zei hij, dat is gewoon poëzie want ik maak een anagram.

 

Kijk die vrouw wacht op haar prijsje:

Wordt het een jongen of een meisje?

 

Kees kent geen onderscheid

Tussen zijn vrouw en zijn meid.

Maar Kees zei: dat is niet waar,

Ze schelen wel twintig jaar!

 

Wat was ik dwaas en blind

Ik zeg het zonder liegen.

Een ander maakt het kind

En ik zit het hier te wiegen.

Vrijerij

 

Ik had geen ander rijm voor dit gedicht,

Dan ‘n oude vrijer met een jonge nicht.

 

Vandaag slaat Jan het vuur in Kaat haar doosje,

Morgen heeft ze prijs en open gaat haar roosje.

 

Arie en Jan zijn kieskeurige gasten

Die steeds naar het beste tasten.

 

Verandering van spijs doet eten, zei Piet,

Vandaag bij Kaat of Aagje, morgen bij Griet.

 

Hoe hard ik ook fluit, de meid wil me niet horen,

Dus kan ik met mijn fluit ook geen gaatje boren.

 

Dit is voor een oude man die niet kan

En voor een jonge vrouw die wel wou.

 

Deze vrijster wil liever een oude man

Dan een jonge die niet zwijgen kan.

 

Ze horen samen Cornelis en Kaatje

Zoals een sleutel en een gaatje.

 

Twee mannen bij een vrouw alleen,

Twee kunnen zeker meer dan één.

 

Een zoentje juffrouw Lijsje

Is voor mij een prijsje!

 

Met boerinnetjes in de wei

Is het goed vrijen in mei.

 

Jacob vrijt al zeven jaar

Om ‘n handvol vrouwenhaar.

 

Geertrui wil nu met Jan Kapoen

Je weet wel wat een keertje doen.

 

Uit sterke drang naar zoetigheid

Naaide de bakker de koekenmeid.

Overschotjes

 

Eind goed al goed, zei Flip, en ik zei het mee:

Hoe goed is dan een worst, die heeft er twee!

 

Houdt hoofd en voeten warm,

Overlaad zeker niet uw darm,

Houdt de achterpoort open staan,

Zo moet je naar geen dokter gaan.

 

Wie van ons heeft het kleinste gaatje,

Vroeg Dirk al lachend bij een praatje.

Toen zei Fem die daar bij stond:

Dat heeft Suske onze hond!

 

Hoort de boer ’s morgens zijn haantje,

Staat hij op en daar loopt zijn kraantje.

 

Ik eet geen spek en worst met knollen

Omdat ze in mijn buik gaan grollen.

 

We zijn thuis gewoon met zijn tienen,

Acht verteren wat twee verdienen.