Mengelwerk

Uit allerlei werken is hier een selectie gemaakt:

- De vrolyke zanggodinnen (1781)

- Apollo's marsdrager (1721-28)

- Mengelpoëzy (1718) van  H. van den Burg

- Pans Fluytje (1706)

- Mengelmoes (1666) van Hendrik Bruno

Mengelwerk van eigen maaksel of letterdieverij?

Ik kon mijn verzameling oude humoristische literatuur aanvullen met het eerste deel van De vrolyke zanggodinnen, of mengelwerk van vernuft (Amsterdam: Petrus Conradi / Harlingen, Volkert van der Plaats, 1781).[1] De samenstellers zijn anoniem gebleven en vormden naar eigen zeggen een ‘tijdelijk genootschap’ dat ze in het voorwoord omschrijven. “Daar is een tyd geweest, waarin onze Voorouders ieder op zichzelven werkten, en alle rympjes, welke zy by voorkomende gelegenheden maakten, lieten drukken. Aan zulk eene ongezellige werkzaamheid hebben wy die groote bondels van kunstelooze Vaarzen, van ontugtige Liedjes, van zotte Sprookjes, en laffe Puntdigten, toe te schryven. In de prullekraam vindt men egter hier en daar nog wat goeds, dat te veel verdiensten heeft om onder de vuilnis begraven te blyven.” Het anonieme ‘genootschap’ besloot op zoek te gaan naar dergelijke rijmpoëzie. “Wy verzamelden dus eenigen voorraad, waaronder nog al het een en ander is, dat men in geene gedrukte Boeken kan vinden, en voor eigen maaksel mag opkomen. Wy bragten het tot nu toe verzamelde onder vier Afdeelingen, waaronder wy het den Lezer aanbieden. Men vindt hier Mengeldigten over verscheidene Stoffen; Punt- en Snel-digten; Fabelen en Vertelsels; en Gezangen.” Maar wat is er nu van ‘eigen maaksel’ en wat ‘ontleend’ bij andere poëten? Hier is het genootschap behoorlijk dubbelzinnig: “In het eerst kwam het ons best voor naauwkeurig aan te teekenen waaruit wy het een en ander overnamen: doch naderhand veranderden wy van gevoelen, en oordeelden dat zulks niet behoefde. Wy zyn geene Letterdieven, al ware het dat men ons kon aantoonen dat wy alles van letter tot letter hadden uitgeschreven, het geen wy egter onmogelyk gemaakt hebben, en belooven verder te zullen doen.” De samenstellers daagden de lezer dus uit maar konden niet weten dat meer dan 300 jaar later het internet een enorme hulp is bij het opzoekingswerk. Het kost slechts enige moeite te achterhalen dat heel wat ‘ontleend’ werd bij destijds bekende dichters zoals Jeremias de Decker, Jan Vos, Constantijn Huygens, Jan de Regt en Hermanus vanden Burg.[2] Vaak werd de tekst wel licht aangepast en in wat nieuwere spelling gezet. In die zin hebben de samenstellers meestal niet ‘van letter tot letter’ overgeschreven, maar vandaag zouden we dit toch simpel plagiaat noemen! In feite beoogt mijn hobby – gedestilleerd in deze website [3] – hetzelfde doel als het genootschap van ‘de vrolijke zanggodinnen’ maar poog ik zo veel mogelijk de eer te laten aan de originele auteurs. Hier een kleine selectie uit de bundel, met kort wat commentaar.

 

[1] https://www.dbnl.org/tekst/_vro019vrol01_01/colofon.php

[2] Zie appendix met voorbeelden

[3] Zie ook https://www.democritus.be/ o.a. over ‘letterdieverij’

 

De Almanak

Een vrouw, wier man, belust op lezen,

Maar zelden tyd voor haar kon schikken, sprak:

Ware ik een boek, wat zoude ik u dan dierbaar wezen!

Vooral (zei de ander) waar myn lief een Almanak.

Dan mogt ik jaar aan jaar wat nieuws in u beschouwen.

Ik wenschte u dan een eeuw te houwen.

 Een van de vele versjes gebaseerd op bekende grappen; zie ‘Moppen’ op deze website

 

Op zekeren Professor

Veel stopt men in de maag, hoewel ze weinig teert.

Gy zyt ook weinig wys, al hebt ge veel geleerd.

 Een variant op de vaak bekritiseerde’ boekenwijsheid’

 

Op eenen Brief van eene bedrieglyke schoonheid

Sneeuwwit is uw papier: uw brief van inhoud zwart:

't Papier zweemt naar uw vel, maar de inhoud naar uw hart.

 Gedicht van Jeremias de Decker

 

Aan den dikken V....

Gy durft ons, Polyfeem, voor halve menschen schelden,

Omdat gy lang en zwaar, wy kortjes zyn en ligt.

k Beken dat gy veel meer dan ik zoudt mogen gelden,

Wanneer men menschen kogt by de el of by 't gewigt.

 Gedicht van Jeremias de Decker

 

Aan Egtgenooten

Het huis valt u te naauw, wanneer gy twistig zyt,

Maar komt gy overeen, dan valt u 't bed te wyd.

 Gedicht van Jeremias de Decker

 

De Mode

Dat nu vervallen is zal eenmaal weder ryzen,

En weêr vervallen doen dat heden boven dryft.

Het nu geprezen nieuw zal elk niet altyd pryzen:

Waarom? omdat het nieuw juist zoo niet altyd blyft.

 Gedicht van Jeremias de Decker

 

Aan zekeren Schryver

De Schriften, die gy schryft, zyn eeuwig, ik beken 't.

Want aan uw kladdery is noch begin noch end.

 Gedicht van Jeremias de Decker

 

Op Matthys

Poëten, zegt Matthys, zyn allen zot van geest.

Is 't waar? dan is Matthys wis lang Poëet geweest.

 

De Gravenmaker en Doctor

De Gravenmaker en de Doctor zyn beî straf.

De een helpt ons in de kist, en de ander in het graf.

 Gedicht van Jan Vos; beî = beide

 

Kind in huis

Lys zegt, zy is als kind in huis by Jasper Toomen,

't Is waar: want Jasper plag veel by haar moêr te komen.

 Moêr = moeder

 

Huwelyk

Het eerste huwelyk wordt door de min beleid;

Het tweede is koopmanschap: het derde dolligheid.

 Gedicht van Jan Vos; min = liefde

 

Aan Klaar

Gy zyt een tweeling, naar 't my voorkomt, Klaartje:

want Uw Broeder Pieter heeft de helft van uw verstand.

 Gedicht van Jan Vos

 

De stervende Dronkaard

Een Dronkaard stierf getroost: men zou hem, was het zeggen,

Niet onder de aarde in 't graf, maar in een kelder leggen.

 

Geloofwaardige Neel

Neel zweert, ze is veertig jaar, en heeft niet eenen tand.

't Luidt klugtig in onze ooren:

't Is vreemd voor een gemeen verstand:

Nogthans schynt wat geloofs by veel gezweers te hooren.

Neel heeft denzelfden eed nu tien jaar lang gezwooren.

 Gedicht van Constantijn Huygens; zie ook 'Moppen' op deze website

 

Heusch verzoek

'k Zag Dieven, uit myn huis met pak en zak gegaan;

Ik volgde hen terstond, en sprak hen vriendlyk aan.

'k Zei, mannen, met verlof: wilt gy my wel eens toonen.

Wyl gy myn goed verhuist, waar ik omtrent ga wonen?

 Gedicht van Constantijn Huygens

 

Groote Nedrigheid

Hans had wel eens gezien dat fraaie lui aan Graven

Hun Brieven tekenden; ‘den minsten van uw Slaven’.

Hy schreef aan zyne Vrouw, en onderschreef zich: ‘Hans,

Den minsten van uw Mans’.

 Gedicht van Constantijn Huygens

 

Mislukte hoop

'k Zei, Klaas, wat ging u aan? Gy trouwde een doove Vrouw.

Och! zei hy: 'k had gehoopt dat ze ook niet spreken zou.

 Gedicht van Constantijn Huygens

 

Goede Raad

'k Was van den weg gedwaald om slegte paên te myden,

Ik zag een' Boer en vroeg of ik terug moest ryden?

Neen, Heerschap: ryd tog niet te rugge, zei de guit.

Keer slegts uw paard eens om, en ryd dan weer vooruit.

 

Ouden mans liefde

Wat schaadt toch de oude dag aan 't vryen of gezoen?

Brandt niet het dorre hout veel lichter dan het groen?

 Gedicht van Constantijn Huygens

 

Ongelyk huwelyk

Tys is pas twintig; Maai, zyn wyf, pas zestig jaaren:

Hy zegt: een oude luit krygt wel eens nieuwe snaren.

 

Gezegende Jan

Jan heeft tien monden thuis, en heeft, naar dat hy telt,

Geen kinderen te veel, maar wel te weinig geld.

Een korf grappige rijmpjes

Hier volgt een selectie rijmpjes uit de 18de eeuwse bundel Apollo’s Marsdrager (informatie over dit werk aan het slot). Een marsdrager is een marskramer, rondtrekkende venter of straatkoopman die zijn koopwaar in een mars of korf bij zich draagt. In de Griekse mythologie is Apollo de god van de zon, muziek, geneeskunde, poëzie en schone kunsten. Hier verwijst zijn naam naar de dichtkunst.

Uit: Apollo's Marsdrager, veylende allerhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp- en mengeldigten. De zeven- en negentigste druk. Vermeerdert met 37 gedigten. Op Parnas, By Valerius Maximus en Junius Juvenalis, in compagnie, (1728)

Ik ben APOLLO’S MARDRAGER, dit moetje weten en wel verstaan.

De Koopmanschappen die ik in dezen mynen Mars heb gelaân,

Bestaan uyt Quikken en Quakken en Snaakse grollen,

Die by buyen, als erreten, uyt der Poëten herssenen komen rollen

 

Uit Apollo's marsdrager, veylende allerhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp, en mengel-digten. Tweede deel. De 37. Druk. Op Parnas by Valerius Martialis en D. Junius Juvenalis, in compagnie, 1721

Tot slot enkele rijmpjes zelf gecomponeerd op stukjes uit Apollo’s Marsdrager:

 

Voor Icarus kwam de volgende wijsheid te laat:

Leer eerst zwemmen voor ge uw vleugels uitslaat!

 

Zijn neus is ongelofelijk lang en zo ver van zijn oren

Dat als hij niest hij het zelf niet eens kan horen.

 

Jan moest onthoofd worden en vroeg: mag het de galg zijn,

Want als ik mijn eigen bloed zie, val ik vast en zeker in zwijm.

 

Indien uw dochter echt is zoals gij ze hebt verbeeld:

Een meisje als een lier, dan dient er zeker op gespeeld.

 

Een jonge predikant scheen heel wat vrouwtjes te raken

Met het scheppingsverhaal: laat ons mensen maken!

 

Ik zeg veel goeds van u en gij zegt veel kwaads van mij,

Maar iedereen weet dat ik hier lieg zoveel als gij.

Pittige mengelpoëzie

Een pittige selectie uit de bundel Mengelpoëzy (Amsterdam, Hendrik Blank & Johannes Ratelband, 1718) van de Amsterdamse gelegenheidsdichter en toneelschrijver Hermanus van den Burg (1682-1752).

Hier eerst een korte bespreking van Pans Fluytje met bibliografische gegevens. Dan volgt een selectie van enkele min of meer  'propere' stukken (geciteerd uit de editie van 1706).

Waar vindt men?

In Nieuwe werelt vol gecken (1641) vraagt Isaac Burchoorn zich af, waar vindt men:

Koorde-danssers sonder springen?

Nachtegaeltjes sonder singen?

Vlugge Scheepjes sonder roer?

Lamm'ren dorstigh by de Moer?

Milde Luyden sonder geven?

Oude Wijven sonder beven?

Rijcke Boffers sonder goedt?

Frisse Zee-luy sonder bloedt?

Woeckenaren sonder Huysen?

Koore-Schuyren sonder Muysen?

Soete Beckjes sonder Lief?

Of een Kermis sonder Dieff?

Lepel-makers sonder stelen?

Lichte Snollen sonder quelen?

Tamme Vogels sonder Nest?

Stercke Steden sonder Vest?

Kramers sonder loos bedriegen?

Nieuwe Vryers sonder liegen?

Of waer vindm’ een droncke Man

Die sijn tongh bedwingen kan?

Voor een variant hierop, zie 'zeldzaame dingen' bij 'Mengelwerk'

In de vroege 16de eeuw is al een soortgelijke opsomming te vinden: Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige bladzijden (Amsterdam, Bert Bakker, 1994 p 330).

Bruno’s Mengelmoes

Hendrik Bruno (1620-1664) had als Neolatijnse dichter zo’n faam verworven, dat Constantijn Huygens hem belastte met de opvoeding van zijn kinderen, met name voor het onderwijs in de Latijnse taal. Bruno werd een bekende figuur in het literaire leven rond het midden van de 17de eeuw. Religieus getinte poëzie, vertalingen van klassieke auteurs en gelegenheidsgedichten vormden de hoofdmoot van zijn literaire productie. Hij behoorde echter niet tot de grote literatoren van zijn tijd en is dan ook snel na zijn overlijden in de vergetelheid geraakt. Een goede indruk van zijn belangrijkste werk op literair gebied biedt zijn postuum uitgegeven, maar nog door hemzelf geredigeerde verzamelbundel Mengelmoes uit 1666. Hieronder volgt een kleine selectie van grappige of puntige verzen in moderner Nederlands omgezet.

Noot: Mengel-moes van verscheyde gedichten op allerhande voor-vallende saecken, begreepen in twee delen (Leiden, Salomon Wagenaer, 1666); transcriptie: http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Latijn/BrunoMengelmoes1666.html.

Zie ook: https://www.oudhoorn.nl/biografie/biografie_henricus_bruno.php